Het rouwmonster

Nu

De zolderkamer is gemiddeld groot, zegt de makelaar. Een gemiddelde tussenwoning heeft een gemiddelde zolderkamer. Het is geen verrassing. Een lelijke rode kleur, vervaagd door de tijd, slaat in je gezicht zodra je bovenaan de trap staat. Een poster van Ajax hangt op de deur die naar een apart afgetimmerd berghok gaat. Een berghok op zolder. Een contradictio in terminus. De houten balken zijn overal weggewerkt met gipsplaten. Keurig afgetimmerd, zegt de makelaar.
‘Mam! Kijk, een geheime plek!’ Isa wijst naar een klein ingebouwd kastje dat zich in de afgetimmerde zijwand bevindt. Een sleutelgat staart haar aan, de sleutel ontbreekt.
‘Aan de andere zijde zit eenzelfde kastje.’ De makelaar grijpt zijn kans.
Isa vliegt naar het tweede kastje. Op slot en eveneens zonder sleutel. ‘Misschien ligt er wel een schat in!’
‘Misschien wel,’ mompel ik. Mijn gedachten zijn bij de vraagprijs van het huis.
‘Met de prijs valt wel wat te doen, heeft de eigenaar me verzekerd.’ Hij is echt goed, die makelaar.

De verhuizing hakt erin. De dozen stapelen zich op, de motivatie slinkt parallel.
‘Heb je de sleutel al van de kastjes?’ Isa heeft sinds de bezichtiging maar een vraag in haar hoofd. Waar waren de sleutels van de magische kastjes?
‘Nee meisje, en om eerlijk te zijn heb ik andere zaken om me druk over te maken.’
De afwikkeling van de administratieve ellende, bijvoorbeeld. Hoe ik de vele klussen in dit huis ga klaren, bijvoorbeeld. Hoe ik de nachten in mijn eentje in bed in dit nieuwe vreemde huis ga doorkomen, bijvoorbeeld.
‘Mag ik zoeken naar de sleutels?’
‘Dat mag.’ Ik weet niet waar, maar het mag. ‘Maak je geen troep?’ Dat klinkt absurd te midden van de volle, lege en half uitgepakte dozen waardoor ik omringd word.

Ik ga op de zolderkamer slapen, Isa op de eerste verdieping naast de badkamer. Ze moet ’s nachts vaak plassen. Het beeld van een van de zoldertrap vallend kind zat vast in mijn hoofd en smoort elke discussie over haar wens om de zolder als slaapkamer te krijgen.
Mijn tweepersoonsbed ziet er pathetisch uit in de ruimte. Moet ik het middenin zetten? Dan ligt de nadruk nog meer op de grootte ervan. En de halve leegte erin.
Ik schuif het bed tegen de, vanuit de trapopgang gezien, rechterzijwand van de kamer. Deze kant oogt als een soort nis, vanwege de extra afgetimmerde bergruimte aan die zijde. Ik gok erop dat het me een veilig gevoel gaat geven.
‘Je ligt met je hoofd bijna tegen het kastje,’ fluistert Isa als ze mijn bed ziet staan.
‘Dat klopt,’ fluister ik terug. ‘Maar als ik het bed aan de andere kant zet, lig ik bijna tegen dat andere kastje aan. En ik wil niet midden in de kamer slapen.’
‘Vanwege monsters?’ Isa trekt bleek weg.
‘Vanwege dat het jammer is van de ruimte.’ En vanwege de monsters in mijzelf, denk ik erbij.

Toen

‘Wil je met me trouwen?’
Ik kijk in de mooiste bruine ogen die ik ooit gezien heb. Op heuphoogte. Want hij doet het volgens het boekje. Op zijn knieën. Ik lach. Ja, ik wil met je trouwen.
We kennen elkaar twee maanden. Ik weet het. Hij weet het. Dit is liefde met een grote L. Soulmates. Voor elkaar geboren. Superlatieven schieten te kort om te beschrijven wat wij voor elkaar voelen. Iedereen ziet het. Iedereen zegt het. Wij worden oud samen.
Tot de dood ons scheidt.

Nu

De eerste nacht is een gruwel. Ik ken de schaduwen niet. De geluiden zijn onbekend. Ik hoor het tikken van de ketel die naast het trapgat hangt. Buiten is het stil. Alleen vanuit het huis lijken geluiden te komen. Isa ligt als een roosje naast me te slapen. De eerste nacht alleen in haar bed, een verdieping lager, dat is teveel gevraagd. Ze vraagt op geen enkel moment naar haar papa. Ik weet zeker dat ze dat niet doet vanwege mij. Vanwege de aanhoudende triestheid die ze in mijn ogen ziet.
Ik vraag in mijn gedachten wel naar haar papa. Naar mijn man. Waar ben je nu? Ben je nog ergens? Geef me een teken. Al is het maar in de vorm van een vervloekte cliché vlinder.

Midden in de nacht, ik vat net een beetje de slaap, schiet Isa wakker. ‘Mam, het is hier!’
‘Wat is hier?’ Ik trek haar tegen me aan. De ketel begint opnieuw te tikken. ‘Je hebt gedroomd lieverd. Ga maar weer lekker slapen. Ik ben bij je.’
‘Nee, nee, ik heb niet gedroomd. Het is echt hier.’ Ze knijpt in mijn arm om zich ervan te vergewissen dat ik er ben.
‘Als het echt hier is, dan bescherm ik je, oké?’ Soms was meegaan in het verhaal beter. Zeker midden in de nacht.
‘Net als papa?’
Mijn middenrif krimpt samen. ‘Net als papa.’
Binnen een paar minuten ligt ze, tegen mij aan gekruld, weer te slapen. Ik staar naar het plafond en tel de tikken van de ketel. Langzaam zak ik weg in een diepe slaap. Het zachte tikje dat ik als een echo na elke tik van de ketel hoor, wijt ik aan het op hol slaan van mijn oververmoeide hersenen.

‘Uw man heeft, had,’ de bankemployé tegenover mij wordt onmiddellijk rood, ‘een rekening op zijn eigen naam. En ook al was u getrouwd, zonder de overlijdensverklaring kan ik de tegoeden niet vrijmaken voor u.’
‘Dat snap ik. Dat heb ik al vaak gehoord. Ik wil graag weten waarom het zo lang moet duren. Ik heb de verklaring al weken geleden ingeleverd. Ook voor onze en/of rekening. Wanneer regelen jullie dit?’
‘We zijn ermee bezig mevrouw De Graaf, het is gewoon…’
‘Het is gewoon… U heeft geen idee. Het is helemaal niet gewoon. Het is een hel.’ Ik sta op en verlaat de bank zonder een groet. Buiten laat ik de tranen rollen. De papieren hel die ‘na overlijden’ heet, maakt me gek. Banken, verzekeringen, abonnementen, alles was een onmogelijkheid. Niemand werkt mee, alles zit tegen. De dood geeft een flinke trap na in de vorm van bureaucratie.

Op het schoolplein sta ik in mijn eentje. Dat is trap twee na van de dood: isolatie. Een weduwe is een besmettelijk dier bij wie je uit de buurt blijft. Andere moeders knikken me op afstand toe. Ik zie ze smoezen met elkaar. En zich verkneukelen. Gelukkig zij, niet ik. De woorden zweven bijna zichtbaar boven hun hypocriete koppen.
‘Mam, kijk eens wat ik vandaag gemaakt heb!’ Isa stormt naar buiten, een groot vel papier in haar handen.
‘Laat eens zien.’ Ik negeer de blikken vol medelijden die her en der richting Isa gaan. Arm meisje. Zo jong nog. Geen vader meer.
‘Ik heb papa getekend.’ Isa straalt. Ze wijst naar een poppetje met harkerige ledematen en een grote lach die buiten de randen van het hoofd valt.
‘Hij kijkt wel blij,’ breng ik met moeite uit. Zelfs een onooglijk poppetje dat Lars moet voorstellen is me teveel. ‘En wat is die grote vlek naast papa?’
Isa pruilt onmiddellijk. ‘Dat is geen vlek.’
‘O, sorry, wat is het dan?’
Ze kijkt me aan. Haar ogen versmallen zich tot spleetjes. Haar lach trekt zich terug. En ze fluistert: ‘Dat is het.’

Voor twee mensen koken is heel anders dan voor drie. Dagelijks vergis ik me. Ik blijf koken voor drie. De oplossing vind ik door dat wat over is te bewaren, twee dagen lang, en zo hebben we een maaltijd voor twee op de derde dag. Alsof we nooit met z’n drieën zijn geweest. Ik weet niet van welke optie ik verdrietiger word. Van teveel of van een passende hoeveelheid eten.
‘Ik heb de sleutel gevonden!’ Isa komt gillend de trap af. ‘Ik heb de sleutel!’
Ik weet even niet waar ze het over heeft. De sleutel?
‘Van de kastjes op zolder!’ Isa ziet het vraagteken op mijn gezicht.
Ik laat het koken voor wat het is, en volg haar naar de zolder. Dit is altijd de beste optie. Afleiding.

‘Waar heb je de sleutel gevonden?’
‘In het berghok,’ glundert Isa.
Ik kijk naar de openstaande deur. Het hok staat vol met dozen die ik nog moet uitpakken. Dozen die misschien nooit uitgepakt gaan worden. Mijn oog valt op een doos vooraan waarop staat: kleding Lars. Kleding Lars. Waarom heb ik dat meeverhuisd?
‘Kom nou mam, we gaan kijken!’ Isa trekt aan mijn arm en klimt op het bed. ‘Eerst deze.’ Ze steekt de sleutel in het sleutelgat. Zonder wrikken schuift het erin. Het is de juiste sleutel. Onverwacht voel ik weerstand. Wil ik weten wat er in dat kastje zit? Mijn hoofd begint te bonzen. En te tikken. Tikken? Ik wrijf met mijn vingers over mijn oren. Tik. Tik. Tik. Ik kijk naar Isa. Ze lijkt niets te horen.
‘Ik ga ‘m open maken!’ Isa draait langzaam de sleutel naar rechts.
Tik. Tik. Tik.
Een zachte klik. Het deurtje beweegt. Isa trekt het aan de sleutel naar zich toe. Haar gezicht hangt voor het vak dat zich achter het deurtje verschuilt. Ineens schiet ze achteruit. ‘Mam!’ Met haar hoofd knalt ze tegen mijn kin. ‘Verdomme!’ Ik grijp naar mijn kin. Een pijnscheut schiet door mijn kaak. Het tikken stopt spontaan. Isa schrikt van mijn reactie en stuift van het bed af. Ik hoor haar snikken terwijl ze de trap afrent. Wat had ze gezien? Ik moet naar haar toe. Ik moet ook in het kastje kijken. Eerst naar Isa. Ik draai om. Tik. Daar is het weer. Tik. Komt het uit dat kastje? Geluiden zijn wonderlijk. Niet te lokaliseren.
Ik kijk naar het trapgat. Geen Isa. Beneden hoor ik haar stommelen. Eerst zien wat zij heeft gezien, dan pas kan ik haar troosten, maak ik mezelf wijs. Wrijvend over mijn kaak, daar komt vast een blauwe plek, kruip ik naar het kastje toe.
Het deurtje heeft de zwaartekracht gelijk gegeven en is weer dichtgevallen. Ik reik met mijn hand naar de sleutel. Een fractie van een seconde stok ik. Hoor ik nog steeds het tikken? Nee. Alleen het bonzen gaat onophoudelijk door. Mijn vingers beroeren de sleutel. Hij voelt verrassend warm, alsof iemand hem de hele tijd in zijn handpalm geklemd heeft gehad. Ik onderdruk de neiging om de sleutel vast te houden en zo te blijven zitten. Om te voelen hoe het ook alweer voelt, iemands warmte in je eigen hand. Warmte. Liefde.
Ik smacht naar warmte. Iemand die mijn hand vasthoudt. De laatste keer dat ik een hand langer dan een paar seconden, zoals bij een begroeting, vasthield, was hij koud. Dood.
Met de warmte van de sleutel tussen mijn duim en wijsvinger trek ik het deurtje open. En deins, net als Isa, achteruit.
Dit is onmogelijk.

‘Heb jij dat beeldje erin gezet?’ Ik ga behoedzaam naast Isa op de bank zitten.
Ze zat met haar armen over elkaar. Haar gezicht sprak boekdelen. Het feestje van de potentiële ontdekking van een miljoen euro in het kastje was verpest. ‘Nee.’
Oké. Ze antwoordt in ieder geval.
‘Weet jij hoe dat beeldje daar komt?’
Zwijgen. Norse blik.
‘Het kan toch niet vanzelf daar gekomen zijn?’
Niets. Ze trekt haar knieën op, slaat haar armen eromheen en drukt haar hoofd ertussen. Uit beeld. Ze gaat niet meer praten.
Het moet Isa geweest zijn. Waarom doet ze dat? En waarom reageert ze zo verbolgen? Alsof ze er niets vanaf weet? Zou dit zijn wat de huisarts laatst uitlegde? Rouw uit zich op allerlei manieren. Soms op vreemde manieren.

‘Hoor jij het soms ook tikken op zolder?’ Nieuwe vraag, nieuwe kansen. Ik zie beweging. Isa’s hoofd komt een paar centimeter omhoog. En zakt weer. Verloren.
Ik word vast gek. Tikken. Uit rouw zich in tikken? Vast niet. Wel in doordraaien vermoed ik. En dat ben ik nu aan het doen. Ik kijk naar Isa. Ze heeft nooit tegen me gelogen. Niet dat ik weet althans. Waarom zou ze dat nu wel doen? Dat beeldje. Het kán niet in dat kastje staan. Onmogelijk. En toch staat het er.
De zolder tikt, en er staat een beeldje dat ik na de geboorte van Isa van mijn man kreeg. Mijn man die knetterdood is. En Isa doet alsof ze net als ik niet wist dat het beeldje in dat kastje achter mijn bed stond.
Ineens schiet me het andere kastje te binnen. ‘Heb je het tweede kastje al geopend?’
Isa kijkt op, langer dan net. Een vlaag van nieuwsgierigheid gaat over haar gezicht. Ze vergeet bijna haar boosheid. Bijna. ‘Nee.’ Haar gezicht verdwijnt weer.
Ik aarzel. Naar boven gaan of bij Isa blijven.
Even kijken. Alleen even kijken of de sleutel ook op het tweede kastje past. ‘Ik ben zo terug,’ zeg ik tegen Isa. Twee smalle schoudertjes gaan omhoog.

De zolder lijkt ver weg. Trede voor trede sluip ik de trap op. Ergens moet ik lachen om mezelf. Er moet een simpele verklaring zijn voor het beeldje in dat kastje. Isa liegt. Dat kan niet anders. Ze haalt een geintje uit. Een helemaal niet zo grappig geintje. Rouw doet rare dingen. Dat blijkt wel.

Het eerste kastje staat nog op een kiertje. Ik kruip over het bed en raak de sleutel aan. Die voelt gloeiend heet, in een reflex trek in mijn hand terug. ‘Verdorie.’ Dat is niet mogelijk. Hoe kan dat? Voorzichtig voel ik met mijn wijsvinger opnieuw aan de sleutel. Niets. Zie je wel. Ik draai door. Ik lach weer eens in mezelf. Tsjonge jonge, ik word een eenzame mafkees. Snel open ik het deurtje, pak het beeldje eruit, druk het deurtje dicht en draai de sleutel om. Op slot. Voor altijd wat mij betreft. Het beeldje kijkt me aan. Ik kijk terug en slik emotie weg, hup, door mijn keel, naar beneden, door mijn spijsverteringskanaal, opgelost in het zuur van mijn maag.

Toen

‘Als je dit ziet, zie je ons.’ Lars glimlacht terwijl hij me het pakje overhandigt. Ik voel me moe, beurs, en overmatig gelukkig. In het wiegje naast ons bed ligt een minimeisje, Isa. Nieuw op de wereld.
‘Ik heb het al maanden in huis, maar wilde het pas geven als,’ hij trekt zijn schouders op en werpt een blik in het wiegje, ‘alles goed was gegaan.’ Hij kijkt me aan, met die prachtige bruine ogen waarin ik nooit iets anders zag dan liefde. ‘En alles ging goed. We hebben een dochter, een prachtige perfecte dochter!’ Hij glundert. ‘Kom, uitpakken nu.’
Ik hijs mezelf hoger het bed in, de pijn die onder de dekens stormt, negerend. Het pakje is klein, ingepakt in glimmend blauw papier, met een strik eromheen.
‘Ik heb het gevonden in dat winkeltje in de Dorpsstraat, je weet wel.’ Het glunderen kent geen einde.
‘Welk winkeltje?’ Mijn hersens zijn verdoofd, alle energie die mijn lijf nodig had om dat mensje eruit te persen, heeft ze op pauze gezet. Ik voel bijna letterlijk de neuronen protesteren tegen denkwerk. Winkeltje? Dorpsstraat?
‘Aan het einde, daar zit sinds kort een soort brocante winkeltje, met antieke, nou ja, in ieder geval oude, spullen. En daar vond ik dit. Het was gewoon voor ons bedoeld, het sprong eruit.’ Hij begon te lachen. ‘Letterlijk, toen ik erlangs liep viel het. Daardoor viel mijn oog erop. Wonder boven wonder was het nog heel. Anders had ik het waarschijnlijk ook moeten kopen, maar dan had je nu een pakje scherven gekregen.’ Hij stoot me aan. ‘Ik ben zo benieuwd wat je ervan vindt!’
Ik glimlach naar hem. Mijn vingers trillen. Ik scheur voorzichtig het papier open. Langzaam zie ik wat Lars bedoelt. Een wonderschoon beeldje komt, bijna schuchter, tevoorschijn uit het papier. De glans van het papier lijkt ineens belachelijk triviaal naast de pracht van het beeldje. Ik kan het niet eens benoemen, wat er zo mooi aan is. Het is… het laat liefde zien. Het zit vol met liefde, zo lijkt het. Ik durf te zweren dat het letterlijk vol zit met liefde. Liefde tussen twee mensen. Tussen Lars en mij. Ik begin te huilen. Het zijn de hormonen, denk ik nog. De tranen stromen. Lars houdt me vast. Ik huil liefde. En Isa, slechts enkele uren oud, begint mee te huilen.

Nu

De doos waar het beeldje in zat, staat geopend in het berghok. Kleding Lars. Het zat tussen de kleding verstopt. Om niet te breken tijdens de verhuizing. Waarom had ik het niet uitgepakt en in de kamer gezet? Te pijnlijk? Ik duw de doos verder het hok in en sluit de bovenzijde. Isa moet het geopend hebben en het beeldje eruit gepakt hebben. Maar…was de doos eerder niet dicht? Ik pijnig mijn hersenen. De doos was dicht, toen mijn oog erop viel daarstraks. Toch? Verdomme. Ik weet het niet zeker. Het kan niet. Hij moet open zijn geweest. Ik ben gewoon te gestrest om op mijn hersens te kunnen vertrouwen. Dat is het. Ik sluit de deur van het berghok en voel het beeldje in mijn handen. Het gloeit, zoals de sleutel deed. Ik zet het beeldje op het nachtkastje. Nu ik het gezien heb, kan ik het onmogelijk weer wegstoppen.

Tik.
Ik spits mijn oren. Zou het hetzelfde zijn als piepen? Soms hebben mensen last van een permanente piep in hun oren. Zou dat ook in de vorm van een tik kunnen bestaan?
Ik kijk naar het andere kastje. Wat zou Isa daarin verstopt hebben?
Tik. Tik.
Ik wrijf met mijn duim over de sleutel. Hij voelt normaal nu, niet meer zo heet. Raar ding.
Isa. Wat moet ik met haar? Moet ik boos worden omdat ze dit deed? Omdat ze liegt? Ze lijdt, haar vader is dood. Misschien doen kinderen dan rare dingen. Weet ik veel, ik heb dit allemaal nooit eerder meegemaakt.
Ik druk de sleutel in het tweede kastje. Wordt hij nu weer warmer? Of verbeeld ik me dat?
‘Mam!’
Ik schrik van de stem van Isa die de zolder in galmt.
‘Mam!’
Paniek. Ik hoor paniek. Struikelend over een paar schoenen snel ik naar het trapgat, de trap af, over de overloop, de laatste trap af.
‘Mam!’ Dichtbij. Wat is er? Ik voel angst door mijn lijf gieren. Wat gebeurt er? Ik gooi de kamerdeur open.
Daar zit ze. Met haar mobiel in haar handen en oordopjes in. Kalm. Glimlachend. Niet roepend.
Met stomheid geslagen staar ik naar haar. Na enkele seconden merkt ze me op. Haar blik betrekt. Boos. Dat was waar ook. Ze was boos. Die houding moest ze wel weer aannemen, ondanks de lol van leuke filmpjes.
‘Riep je mij?’ vraag ik met onvaste stem.
‘Wat?’
Kutoortjes. ‘Riep je mij?’ roep ik harder, met dezelfde onvastheid en met aanzienlijk meer irritatie.
Met een ferme ruk trekt Isa de oortjes uit haar oren. ‘Nee.’ Ze kijkt er boos bij. Bijna aandoenlijk boos.
Ik zucht. Word ik gek? Is Isa een bizar spelletje aan het spelen?

Toen, maar niet zo heel lang geleden

‘Het spijt me.’ De ogen van de arts liegen niet. Net zomin als zijn woorden. Het spijt hem echt. Maar dat verandert niets. Ik voel iets groeien in mezelf dat ik nooit eerder voelde. Het is groter dan verdriet, omvattender dan boosheid, en vele malen enger dan machteloosheid. Ik heb er geen woorden voor. Niet in de verste verte.
Lars zwijgt. Ik zie tranen over zijn wangen lopen, zo langzaam dat ik even twijfel of de zwaartekracht nog wel bestaat. Ik knijp in zijn hand. Hij knijpt terug. Dit is het. Hier gaat het eindigen, over een onbepaalde tijd waarvan we net vernomen hebben dat deze ‘gemiddeld drie tot zes maanden’ duurt. Tot de dood ons scheidt.

Nu

Isa kruipt tegen me aan. De boosheid is weggeëbd. Ze heeft gehuild. En vastgehouden aan wat ze vanaf het ‘sleutelmoment’ beweerd heeft: ze heeft dat beeldje daar niet neergelegd. Ik heb besloten het erbij te laten.
Lang nadat ze in slaap is gevallen lig ik nog wakker. Het maanlicht verlicht zacht de kamer. Af en toe werp ik een blik op het beeldje. Morgen ga ik het weer in de doos stoppen. Het doet teveel pijn. Het port in mijn ziel en wrikt en stoot, ik wil dat niet. Te vroeg. Te groot. Te overweldigend.
De sleutel van het kastje glanst naast het beeldje. Morgen. Dan open ik het tweede kastje. Morgen.
Pas na vier uur in de ochtend dommel ik weg, op het ritme van het tikken dat onophoudelijk mijn gedachten draagt.
Tik. Tik. Tik.

Als ik Isa ’s ochtends in de klas breng, geeft ze me een kus. We zijn weer hetzelfde. Alsof er niets gebeurd is. Het knagende gevoel dat er wel degelijk iets ontwricht is tussen ons, verdring ik.
De juf van Isa heeft haar meest empathische blik opgezet, als haar ogen Isa volgen. ‘Volgens mij gaat het best goed met haar, ze doet goed mee. En ze lijkt niet verdrietig.’
Jezus. Ze lijkt niet verdrietig. Ik ook niet in de buitenwereld. Terwijl ik vanbinnen een zwembad vol tranen ben die voortdurend tegen de rand klotsen. ‘Fijn. De afleiding is goed voor haar.’ Ik ga mee in het praatje van de juf. Als ik iets geleerd heb sinds Lars dood is, is dat mensen het niet snappen, ook niet als je het uitlegt. Ze weten niet wat rouw is, hoe het je opvreet en verteert, terwijl je ogenschijnlijk gewoon functioneert. Bij elke dooddoener knik ik inmiddels bevestigend. Ja, ik ben nog jong en ik vind wel iemand anders. Ja, gelukkig is Isa nog jong, ze groeit er wel overheen. Ja, gelukkig heeft hij niet lang geleden. Ik zou een boek kunnen vullen met dergelijke, achterlijke, alles wat ik echt voel ondermijnende, zinnen. Een dik boek, met meer lucht dan in de hele wereld op een dag ingeademd wordt.

De Dorpsstraat. Een kort straatje met een tattooshop, een platenzaak en een hippe slagerij. Onder andere. En een brocante winkeltje. De deur staat open. Op de straat staan spullen uitgestald, alsof het een rommelmarkt is. Ik zie een theekastje met een oude waskom erop. Een set stoelen uit de jaren vijftig. Drie heiligbeelden: Jezus, Maria en Jozef. Nog een erbij en ze kunnen klaverjassen.
‘Goedemorgen.’ De eigenaresse glimlacht. Waarom glimlacht iedereen toch voortdurend?
‘Goedemorgen. Mag ik u wat vragen?’ Ik voel me onmiddellijk stom. Wat bezielt me? Waarom denk ik dat deze vrouw na al die jaren nog weet waar het beeldje vandaan kwam en wie het kocht? Wat wil ik horen? Dat ze zich Lars herinnert? Zodat ik bevestigd krijg dat hij speciaal was? Dat hij niet een vis in de zee was waar er velen van zijn, maar een bijzondere extra glimmende vis?
Misschien wel. Misschien is dat exact wat ik wil. Horen dat hij bijzonder was. Mooi. Uniek. Hypnotiserend. En levend.

Ze kijkt naar de foto van het beeldje en fronst haar wenkbrauwen. ‘Mmm. Het komt me bekend voor. Het is een…bijzonder beeldje. Wanneer heeft uw man het gekocht zei u?’
‘Zes jaar geleden. Het was een cadeautje voor mij, nadat onze dochter geboren was.’ De pijn van de herinnering knalt erin. Ik koester het. Onze dochter. Alles was zo mooi toen. Zo goed.
‘Ik moet er even over denken. Ik verkoop niet zoveel, dit winkeltje is een hobby, ik hoef er niet van te leven. Dat scheelt. Als u het bij de Blokker gekocht had, had u een probleem gehad.’ Ze lacht. ‘Zes jaar zegt u.’ Haar ogen glijden over de foto. ‘Mag ik de foto even hier houden? Dat ik u bel als ik me wat herinner? Ik kan mijn man ernaar laten kijken, hij komt soms ook met spullen aan voor de winkel.’
Ik knik en schrijf mijn mobiele nummer op. ‘Stuurt u maar een app. Ik ben niet dol op bellen,’ zeg ik terwijl ik haar het papier overhandig.
Met mijn handen in mijn zakken slenter ik weg. Teleurgesteld. Wat had ik gedacht. Dat ze direct zou opveren en zou roepen: O ja. Die prachtige man, dat weet ik nog wel. Hij sprak urenlang over jou en over jullie waanzinnige liefde?

Tik. Tik. Tik. Het lijkt steeds luider te worden. Of ik word steeds gekker. Ik zit op zolder, de doos met kleding van Lars kijkt me aan. Het beeldje heb ik van het nachtkastje weer naar de doos verplaatst en diep weggestopt, onder de truien. De eerste aanraking met de stof maakte me aan het huilen. De tweede aanraking deed me over de grond rollen van verdriet. Ik drukte een trui tegen mijn gezicht aan. Niets. Waarom rook het niet meer naar hem? Helemaal niets. Hij ontglipt me. Zijn geur verdwijnt, zijn stem vervaagt. Wat als ik me hem straks niet meer goed herinner?

Nu, in de klas van Isa

‘Wat teken je daar Isa?’ Juf Els buigt zich over Isa heen. Wat was dat nou?
‘Het.’ Isa bijt op haar onderlip.
‘Het? Wat bedoel je met het?’
‘Het,’ herhaalt Isa. Een druppel bloed glinstert op haar lip.
‘Het ziet er een beetje…’ Juf Els formuleert voorzichtig haar woorden,’ spannend uit. Een beetje eng. Is het een monster?’
‘Het is hét.’ Isa krast met de zwarte stift over het papier.
‘Kun je het me uitleggen? Ik geloof dat ik niet zo goed begrijp wat je bedoelt,’ doet juf Els een nieuwe poging. Ze begint zich zorgen te maken. Niet alleen over de tekening. Ook over de rare staat waarin Isa lijkt te zijn. Ze lijkt…een beetje weg.
‘Het is…’ Isa knijpt haar ogen samen, kijkt om zich heen alsof ze verwacht dat iemand haar in de gaten houdt, en fluistert in het oor van Juf Els: ‘het rouwmonster.’

Nu, op zolder

Op mijn knieën schuif ik naar het kastje. Ze doen zeer, mijn knieën. Ik heb ze beschadigd door tientallen keren heen en weer over de vloer te kruipen. Ik wil mijn pijn eruit krijgen. Desnoods door het te vervangen voor een andere pijn. Het schrijnende gevoel doet goed. Het kastje. De sleutel in mijn hand. Afwisselend warm en koud. Ik ben gestopt met me afvragen hoe dat mogelijk is. Ik vraag me evenmin nog af waar het tikken vandaan komt. Ik snap nu wel waar de uitdrukking ‘getikt’ vandaan komt. Ik kan niet eens meer lachen om die gedachte van mezelf.
De sleutel glijdt eenvoudig het sleutelgat in. Alsof het gisteren gesmeerd is. Nu lach ik wel. Waarom? Geen idee.
De sleutel gloeit weer.
Tik. Tik. Tik.
Lars. Je gezicht. De pijn. Niet de lichamelijke. Die andere pijn. De pijn van het moeten verlaten van het leven. Mij achterlaten. Isa achterlaten. Veel te vroeg. Liefde met een grote L. Liefde zonder leven. Onmogelijk.
Ik trek aan de gloeiende sleutel. Het deurtje gaat langzaam open. Ik adem diep in.
Tik. Tik. Tik.
Mijn adem stokt. Zoals Lars adem stokte. De hitte van de sleutel trekt via mijn vingers door mijn arm naar mijn romp en omvat mijn hart. Ik gloei. Ik gloei als de sleutel.
Het deurtje is open. Ik adem nog steeds niet. Daar staat het. Onmogelijk. Het kan echt niet. Het was niet Isa. Ze heeft niet gelogen.
Ik kijk naar het beeldje. Alle lucht die ik inhield komt er in een krachtige stoot uit, en gaat vergezeld met een onaangenaam hoog geluid. Ben ik dat? Gil ik?
Het beeldje. De liefde erin. Lars. Lars en ik. Ik ontbreek. Lars is daar. Ik ben hier. Het klopt niet. Tik. Tik. Tik. Een klok tikt. Het is tijd. Dát is het. Dat is het tikken. Een klok. Een ultimatum. De tijd is gekomen. Ik laat de sleutel los. Mijn vinger is verbrand, ik voel het niet. Voorzichtig reik ik naar het beeldje. Naar de liefde. Ik sluit mijn ogen. Ik zie…het. Isa zag het. De tekening. Het. Nu snap ik het. Ik voel het beeldje mijn vingers beroeren. Niet andersom. Lars. Liefde. Het. Tranen stromen over mijn gezicht. Kom maar. Eet me op. Verslind me. Ik voel dat ik wegglij. Ik glij naar Lars. Tik. De laatste tik. En net voor ik de wereld verlaat, zie ik het zwart.

Later

De buren snapten er niets van. Het leek een aardige vrouw. Ja, ze had haar man verloren, maar ze zag er sterk uit. Dood? Hoe dan? Dat wisten de hulpdiensten ook niet. De verkoolde vrouw die ze op de zolder aantroffen, leek niets behalve zichzelf in vuur te hebben gezet. Had ze het zelf gedaan? Dat leek onwaarschijnlijk, al zou de roddelmachine dat gerucht ongetwijfeld gaan voeden.
En och, dat arme meisje. Beide ouders verloren. Hoe moest dat nog goedkomen? Ze had er ontredderd uitgezien. Met onder de ene arm een knuffel, en onder de andere arm een raar beeldje. Toen iemand het uit haar handen wilde nemen, had ze gegild. Haar beeldje. Een buurvrouw zweerde dat ze dacht dat er getik uit kwam. Een andere buurvrouw zei daarop dat ze gek was.
Naast de verkoolde vrouw lag, door het vuur onaangetast, haar mobieltje. Het laatste bericht erop was van een onbekend nummer. Er stond iets geschreven over een beeldje, en dat ze dankzij haar man inmiddels wist waar het vandaan kwam. Dat het ooit uit een ingebouwd kastje in een huis was gehaald waar twee mensen woonden die zoveel van elkaar hielden dat ze samen een eind aan hun leven hadden gemaakt, om te voorkomen dat er een alleen achterbleef. Maar dat was het verhaal, waarschijnlijk bedacht om het beeldje, dat er monsterlijk en afzichtelijk uitzag, beter verkoopbaar te maken. Ze wist zich vaag de koper te herinneren. Een aardige man. Met bruine ogen dacht ze, klopte dat?

Veel later

De makelaar knikt vriendelijk. Zijn zonnebankbruine nek rimpelt mee. Ja, er is iets vreselijks gebeurd in dit huis. Daarom staat het al zo lang te koop. Nee, niets raars, gewoon een vrouw die het leven niet meer aankon. Ja, heel triest. Ja, daar is de prijs dan ook naar. Maar het huis is prachtig. Heeft u dat gezien? Authentieke details. Een mooie grote tuin. En hebben de kinderen al gezien dat er twee geheimzinnige kastjes op zolder zijn? Misschien ligt er wel een schat in?

EINDE

Plaats een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.