Het rouwmonster

Nu

De zolderkamer is gemiddeld groot, zegt de makelaar. Een gemiddelde tussenwoning heeft een gemiddelde zolderkamer. Het is geen verrassing. Een lelijke rode kleur, vervaagd door de tijd, slaat in je gezicht zodra je bovenaan de trap staat. Een poster van Ajax hangt op de deur die naar een apart afgetimmerd berghok gaat. Een berghok op zolder. Een contradictio in terminus. De houten balken zijn overal weggewerkt met gipsplaten. Keurig afgetimmerd, zegt de makelaar.
‘Mam! Kijk, een geheime plek!’ Isa wijst naar een klein ingebouwd kastje dat zich in de afgetimmerde zijwand bevindt. Een sleutelgat staart haar aan, de sleutel ontbreekt.
‘Aan de andere zijde zit eenzelfde kastje.’ De makelaar grijpt zijn kans.
Isa vliegt naar het tweede kastje. Op slot en eveneens zonder sleutel. ‘Misschien ligt er wel een schat in!’
‘Misschien wel,’ mompel ik. Mijn gedachten zijn bij de vraagprijs van het huis.
‘Met de prijs valt wel wat te doen, heeft de eigenaar me verzekerd.’ Hij is echt goed, die makelaar.

De verhuizing hakt erin. De dozen stapelen zich op, de motivatie slinkt parallel.
‘Heb je de sleutel al van de kastjes?’ Isa heeft sinds de bezichtiging maar een vraag in haar hoofd. Waar waren de sleutels van de magische kastjes?
‘Nee meisje, en om eerlijk te zijn heb ik andere zaken om me druk over te maken.’
De afwikkeling van de administratieve ellende, bijvoorbeeld. Hoe ik de vele klussen in dit huis ga klaren, bijvoorbeeld. Hoe ik de nachten in mijn eentje in bed in dit nieuwe vreemde huis ga doorkomen, bijvoorbeeld.
‘Mag ik zoeken naar de sleutels?’
‘Dat mag.’ Ik weet niet waar, maar het mag. ‘Maak je geen troep?’ Dat klinkt absurd te midden van de volle, lege en half uitgepakte dozen waardoor ik omringd word.

Ik ga op de zolderkamer slapen, Isa op de eerste verdieping naast de badkamer. Ze moet ’s nachts vaak plassen. Het beeld van een van de zoldertrap vallend kind zat vast in mijn hoofd en smoort elke discussie over haar wens om de zolder als slaapkamer te krijgen.
Mijn tweepersoonsbed ziet er pathetisch uit in de ruimte. Moet ik het middenin zetten? Dan ligt de nadruk nog meer op de grootte ervan. En de halve leegte erin.
Ik schuif het bed tegen de, vanuit de trapopgang gezien, rechterzijwand van de kamer. Deze kant oogt als een soort nis, vanwege de extra afgetimmerde bergruimte aan die zijde. Ik gok erop dat het me een veilig gevoel gaat geven.
‘Je ligt met je hoofd bijna tegen het kastje,’ fluistert Isa als ze mijn bed ziet staan.
‘Dat klopt,’ fluister ik terug. ‘Maar als ik het bed aan de andere kant zet, lig ik bijna tegen dat andere kastje aan. En ik wil niet midden in de kamer slapen.’
‘Vanwege monsters?’ Isa trekt bleek weg.
‘Vanwege dat het jammer is van de ruimte.’ En vanwege de monsters in mijzelf, denk ik erbij.

Toen

‘Wil je met me trouwen?’
Ik kijk in de mooiste bruine ogen die ik ooit gezien heb. Op heuphoogte. Want hij doet het volgens het boekje. Op zijn knieën. Ik lach. Ja, ik wil met je trouwen.
We kennen elkaar twee maanden. Ik weet het. Hij weet het. Dit is liefde met een grote L. Soulmates. Voor elkaar geboren. Superlatieven schieten te kort om te beschrijven wat wij voor elkaar voelen. Iedereen ziet het. Iedereen zegt het. Wij worden oud samen.
Tot de dood ons scheidt.

Nu

De eerste nacht is een gruwel. Ik ken de schaduwen niet. De geluiden zijn onbekend. Ik hoor het tikken van de ketel die naast het trapgat hangt. Buiten is het stil. Alleen vanuit het huis lijken geluiden te komen. Isa ligt als een roosje naast me te slapen. De eerste nacht alleen in haar bed, een verdieping lager, dat is teveel gevraagd. Ze vraagt op geen enkel moment naar haar papa. Ik weet zeker dat ze dat niet doet vanwege mij. Vanwege de aanhoudende triestheid die ze in mijn ogen ziet.
Ik vraag in mijn gedachten wel naar haar papa. Naar mijn man. Waar ben je nu? Ben je nog ergens? Geef me een teken. Al is het maar in de vorm van een vervloekte cliché vlinder.

Midden in de nacht, ik vat net een beetje de slaap, schiet Isa wakker. ‘Mam, het is hier!’
‘Wat is hier?’ Ik trek haar tegen me aan. De ketel begint opnieuw te tikken. ‘Je hebt gedroomd lieverd. Ga maar weer lekker slapen. Ik ben bij je.’
‘Nee, nee, ik heb niet gedroomd. Het is echt hier.’ Ze knijpt in mijn arm om zich ervan te vergewissen dat ik er ben.
‘Als het echt hier is, dan bescherm ik je, oké?’ Soms was meegaan in het verhaal beter. Zeker midden in de nacht.
‘Net als papa?’
Mijn middenrif krimpt samen. ‘Net als papa.’
Binnen een paar minuten ligt ze, tegen mij aan gekruld, weer te slapen. Ik staar naar het plafond en tel de tikken van de ketel. Langzaam zak ik weg in een diepe slaap. Het zachte tikje dat ik als een echo na elke tik van de ketel hoor, wijt ik aan het op hol slaan van mijn oververmoeide hersenen.

‘Uw man heeft, had,’ de bankemployé tegenover mij wordt onmiddellijk rood, ‘een rekening op zijn eigen naam. En ook al was u getrouwd, zonder de overlijdensverklaring kan ik de tegoeden niet vrijmaken voor u.’
‘Dat snap ik. Dat heb ik al vaak gehoord. Ik wil graag weten waarom het zo lang moet duren. Ik heb de verklaring al weken geleden ingeleverd. Ook voor onze en/of rekening. Wanneer regelen jullie dit?’
‘We zijn ermee bezig mevrouw De Graaf, het is gewoon…’
‘Het is gewoon… U heeft geen idee. Het is helemaal niet gewoon. Het is een hel.’ Ik sta op en verlaat de bank zonder een groet. Buiten laat ik de tranen rollen. De papieren hel die ‘na overlijden’ heet, maakt me gek. Banken, verzekeringen, abonnementen, alles was een onmogelijkheid. Niemand werkt mee, alles zit tegen. De dood geeft een flinke trap na in de vorm van bureaucratie.

Op het schoolplein sta ik in mijn eentje. Dat is trap twee na van de dood: isolatie. Een weduwe is een besmettelijk dier bij wie je uit de buurt blijft. Andere moeders knikken me op afstand toe. Ik zie ze smoezen met elkaar. En zich verkneukelen. Gelukkig zij, niet ik. De woorden zweven bijna zichtbaar boven hun hypocriete koppen.
‘Mam, kijk eens wat ik vandaag gemaakt heb!’ Isa stormt naar buiten, een groot vel papier in haar handen.
‘Laat eens zien.’ Ik negeer de blikken vol medelijden die her en der richting Isa gaan. Arm meisje. Zo jong nog. Geen vader meer.
‘Ik heb papa getekend.’ Isa straalt. Ze wijst naar een poppetje met harkerige ledematen en een grote lach die buiten de randen van het hoofd valt.
‘Hij kijkt wel blij,’ breng ik met moeite uit. Zelfs een onooglijk poppetje dat Lars moet voorstellen is me teveel. ‘En wat is die grote vlek naast papa?’
Isa pruilt onmiddellijk. ‘Dat is geen vlek.’
‘O, sorry, wat is het dan?’
Ze kijkt me aan. Haar ogen versmallen zich tot spleetjes. Haar lach trekt zich terug. En ze fluistert: ‘Dat is het.’

Voor twee mensen koken is heel anders dan voor drie. Dagelijks vergis ik me. Ik blijf koken voor drie. De oplossing vind ik door dat wat over is te bewaren, twee dagen lang, en zo hebben we een maaltijd voor twee op de derde dag. Alsof we nooit met z’n drieën zijn geweest. Ik weet niet van welke optie ik verdrietiger word. Van teveel of van een passende hoeveelheid eten.
‘Ik heb de sleutel gevonden!’ Isa komt gillend de trap af. ‘Ik heb de sleutel!’
Ik weet even niet waar ze het over heeft. De sleutel?
‘Van de kastjes op zolder!’ Isa ziet het vraagteken op mijn gezicht.
Ik laat het koken voor wat het is, en volg haar naar de zolder. Dit is altijd de beste optie. Afleiding.

‘Waar heb je de sleutel gevonden?’
‘In het berghok,’ glundert Isa.
Ik kijk naar de openstaande deur. Het hok staat vol met dozen die ik nog moet uitpakken. Dozen die misschien nooit uitgepakt gaan worden. Mijn oog valt op een doos vooraan waarop staat: kleding Lars. Kleding Lars. Waarom heb ik dat meeverhuisd?
‘Kom nou mam, we gaan kijken!’ Isa trekt aan mijn arm en klimt op het bed. ‘Eerst deze.’ Ze steekt de sleutel in het sleutelgat. Zonder wrikken schuift het erin. Het is de juiste sleutel. Onverwacht voel ik weerstand. Wil ik weten wat er in dat kastje zit? Mijn hoofd begint te bonzen. En te tikken. Tikken? Ik wrijf met mijn vingers over mijn oren. Tik. Tik. Tik. Ik kijk naar Isa. Ze lijkt niets te horen.
‘Ik ga ‘m open maken!’ Isa draait langzaam de sleutel naar rechts.
Tik. Tik. Tik.
Een zachte klik. Het deurtje beweegt. Isa trekt het aan de sleutel naar zich toe. Haar gezicht hangt voor het vak dat zich achter het deurtje verschuilt. Ineens schiet ze achteruit. ‘Mam!’ Met haar hoofd knalt ze tegen mijn kin. ‘Verdomme!’ Ik grijp naar mijn kin. Een pijnscheut schiet door mijn kaak. Het tikken stopt spontaan. Isa schrikt van mijn reactie en stuift van het bed af. Ik hoor haar snikken terwijl ze de trap afrent. Wat had ze gezien? Ik moet naar haar toe. Ik moet ook in het kastje kijken. Eerst naar Isa. Ik draai om. Tik. Daar is het weer. Tik. Komt het uit dat kastje? Geluiden zijn wonderlijk. Niet te lokaliseren.
Ik kijk naar het trapgat. Geen Isa. Beneden hoor ik haar stommelen. Eerst zien wat zij heeft gezien, dan pas kan ik haar troosten, maak ik mezelf wijs. Wrijvend over mijn kaak, daar komt vast een blauwe plek, kruip ik naar het kastje toe.
Het deurtje heeft de zwaartekracht gelijk gegeven en is weer dichtgevallen. Ik reik met mijn hand naar de sleutel. Een fractie van een seconde stok ik. Hoor ik nog steeds het tikken? Nee. Alleen het bonzen gaat onophoudelijk door. Mijn vingers beroeren de sleutel. Hij voelt verrassend warm, alsof iemand hem de hele tijd in zijn handpalm geklemd heeft gehad. Ik onderdruk de neiging om de sleutel vast te houden en zo te blijven zitten. Om te voelen hoe het ook alweer voelt, iemands warmte in je eigen hand. Warmte. Liefde.
Ik smacht naar warmte. Iemand die mijn hand vasthoudt. De laatste keer dat ik een hand langer dan een paar seconden, zoals bij een begroeting, vasthield, was hij koud. Dood.
Met de warmte van de sleutel tussen mijn duim en wijsvinger trek ik het deurtje open. En deins, net als Isa, achteruit.
Dit is onmogelijk.

‘Heb jij dat beeldje erin gezet?’ Ik ga behoedzaam naast Isa op de bank zitten.
Ze zat met haar armen over elkaar. Haar gezicht sprak boekdelen. Het feestje van de potentiële ontdekking van een miljoen euro in het kastje was verpest. ‘Nee.’
Oké. Ze antwoordt in ieder geval.
‘Weet jij hoe dat beeldje daar komt?’
Zwijgen. Norse blik.
‘Het kan toch niet vanzelf daar gekomen zijn?’
Niets. Ze trekt haar knieën op, slaat haar armen eromheen en drukt haar hoofd ertussen. Uit beeld. Ze gaat niet meer praten.
Het moet Isa geweest zijn. Waarom doet ze dat? En waarom reageert ze zo verbolgen? Alsof ze er niets vanaf weet? Zou dit zijn wat de huisarts laatst uitlegde? Rouw uit zich op allerlei manieren. Soms op vreemde manieren.

‘Hoor jij het soms ook tikken op zolder?’ Nieuwe vraag, nieuwe kansen. Ik zie beweging. Isa’s hoofd komt een paar centimeter omhoog. En zakt weer. Verloren.
Ik word vast gek. Tikken. Uit rouw zich in tikken? Vast niet. Wel in doordraaien vermoed ik. En dat ben ik nu aan het doen. Ik kijk naar Isa. Ze heeft nooit tegen me gelogen. Niet dat ik weet althans. Waarom zou ze dat nu wel doen? Dat beeldje. Het kán niet in dat kastje staan. Onmogelijk. En toch staat het er.
De zolder tikt, en er staat een beeldje dat ik na de geboorte van Isa van mijn man kreeg. Mijn man die knetterdood is. En Isa doet alsof ze net als ik niet wist dat het beeldje in dat kastje achter mijn bed stond.
Ineens schiet me het andere kastje te binnen. ‘Heb je het tweede kastje al geopend?’
Isa kijkt op, langer dan net. Een vlaag van nieuwsgierigheid gaat over haar gezicht. Ze vergeet bijna haar boosheid. Bijna. ‘Nee.’ Haar gezicht verdwijnt weer.
Ik aarzel. Naar boven gaan of bij Isa blijven.
Even kijken. Alleen even kijken of de sleutel ook op het tweede kastje past. ‘Ik ben zo terug,’ zeg ik tegen Isa. Twee smalle schoudertjes gaan omhoog.

De zolder lijkt ver weg. Trede voor trede sluip ik de trap op. Ergens moet ik lachen om mezelf. Er moet een simpele verklaring zijn voor het beeldje in dat kastje. Isa liegt. Dat kan niet anders. Ze haalt een geintje uit. Een helemaal niet zo grappig geintje. Rouw doet rare dingen. Dat blijkt wel.

Het eerste kastje staat nog op een kiertje. Ik kruip over het bed en raak de sleutel aan. Die voelt gloeiend heet, in een reflex trek in mijn hand terug. ‘Verdorie.’ Dat is niet mogelijk. Hoe kan dat? Voorzichtig voel ik met mijn wijsvinger opnieuw aan de sleutel. Niets. Zie je wel. Ik draai door. Ik lach weer eens in mezelf. Tsjonge jonge, ik word een eenzame mafkees. Snel open ik het deurtje, pak het beeldje eruit, druk het deurtje dicht en draai de sleutel om. Op slot. Voor altijd wat mij betreft. Het beeldje kijkt me aan. Ik kijk terug en slik emotie weg, hup, door mijn keel, naar beneden, door mijn spijsverteringskanaal, opgelost in het zuur van mijn maag.

Toen

‘Als je dit ziet, zie je ons.’ Lars glimlacht terwijl hij me het pakje overhandigt. Ik voel me moe, beurs, en overmatig gelukkig. In het wiegje naast ons bed ligt een minimeisje, Isa. Nieuw op de wereld.
‘Ik heb het al maanden in huis, maar wilde het pas geven als,’ hij trekt zijn schouders op en werpt een blik in het wiegje, ‘alles goed was gegaan.’ Hij kijkt me aan, met die prachtige bruine ogen waarin ik nooit iets anders zag dan liefde. ‘En alles ging goed. We hebben een dochter, een prachtige perfecte dochter!’ Hij glundert. ‘Kom, uitpakken nu.’
Ik hijs mezelf hoger het bed in, de pijn die onder de dekens stormt, negerend. Het pakje is klein, ingepakt in glimmend blauw papier, met een strik eromheen.
‘Ik heb het gevonden in dat winkeltje in de Dorpsstraat, je weet wel.’ Het glunderen kent geen einde.
‘Welk winkeltje?’ Mijn hersens zijn verdoofd, alle energie die mijn lijf nodig had om dat mensje eruit te persen, heeft ze op pauze gezet. Ik voel bijna letterlijk de neuronen protesteren tegen denkwerk. Winkeltje? Dorpsstraat?
‘Aan het einde, daar zit sinds kort een soort brocante winkeltje, met antieke, nou ja, in ieder geval oude, spullen. En daar vond ik dit. Het was gewoon voor ons bedoeld, het sprong eruit.’ Hij begon te lachen. ‘Letterlijk, toen ik erlangs liep viel het. Daardoor viel mijn oog erop. Wonder boven wonder was het nog heel. Anders had ik het waarschijnlijk ook moeten kopen, maar dan had je nu een pakje scherven gekregen.’ Hij stoot me aan. ‘Ik ben zo benieuwd wat je ervan vindt!’
Ik glimlach naar hem. Mijn vingers trillen. Ik scheur voorzichtig het papier open. Langzaam zie ik wat Lars bedoelt. Een wonderschoon beeldje komt, bijna schuchter, tevoorschijn uit het papier. De glans van het papier lijkt ineens belachelijk triviaal naast de pracht van het beeldje. Ik kan het niet eens benoemen, wat er zo mooi aan is. Het is… het laat liefde zien. Het zit vol met liefde, zo lijkt het. Ik durf te zweren dat het letterlijk vol zit met liefde. Liefde tussen twee mensen. Tussen Lars en mij. Ik begin te huilen. Het zijn de hormonen, denk ik nog. De tranen stromen. Lars houdt me vast. Ik huil liefde. En Isa, slechts enkele uren oud, begint mee te huilen.

Nu

De doos waar het beeldje in zat, staat geopend in het berghok. Kleding Lars. Het zat tussen de kleding verstopt. Om niet te breken tijdens de verhuizing. Waarom had ik het niet uitgepakt en in de kamer gezet? Te pijnlijk? Ik duw de doos verder het hok in en sluit de bovenzijde. Isa moet het geopend hebben en het beeldje eruit gepakt hebben. Maar…was de doos eerder niet dicht? Ik pijnig mijn hersenen. De doos was dicht, toen mijn oog erop viel daarstraks. Toch? Verdomme. Ik weet het niet zeker. Het kan niet. Hij moet open zijn geweest. Ik ben gewoon te gestrest om op mijn hersens te kunnen vertrouwen. Dat is het. Ik sluit de deur van het berghok en voel het beeldje in mijn handen. Het gloeit, zoals de sleutel deed. Ik zet het beeldje op het nachtkastje. Nu ik het gezien heb, kan ik het onmogelijk weer wegstoppen.

Tik.
Ik spits mijn oren. Zou het hetzelfde zijn als piepen? Soms hebben mensen last van een permanente piep in hun oren. Zou dat ook in de vorm van een tik kunnen bestaan?
Ik kijk naar het andere kastje. Wat zou Isa daarin verstopt hebben?
Tik. Tik.
Ik wrijf met mijn duim over de sleutel. Hij voelt normaal nu, niet meer zo heet. Raar ding.
Isa. Wat moet ik met haar? Moet ik boos worden omdat ze dit deed? Omdat ze liegt? Ze lijdt, haar vader is dood. Misschien doen kinderen dan rare dingen. Weet ik veel, ik heb dit allemaal nooit eerder meegemaakt.
Ik druk de sleutel in het tweede kastje. Wordt hij nu weer warmer? Of verbeeld ik me dat?
‘Mam!’
Ik schrik van de stem van Isa die de zolder in galmt.
‘Mam!’
Paniek. Ik hoor paniek. Struikelend over een paar schoenen snel ik naar het trapgat, de trap af, over de overloop, de laatste trap af.
‘Mam!’ Dichtbij. Wat is er? Ik voel angst door mijn lijf gieren. Wat gebeurt er? Ik gooi de kamerdeur open.
Daar zit ze. Met haar mobiel in haar handen en oordopjes in. Kalm. Glimlachend. Niet roepend.
Met stomheid geslagen staar ik naar haar. Na enkele seconden merkt ze me op. Haar blik betrekt. Boos. Dat was waar ook. Ze was boos. Die houding moest ze wel weer aannemen, ondanks de lol van leuke filmpjes.
‘Riep je mij?’ vraag ik met onvaste stem.
‘Wat?’
Kutoortjes. ‘Riep je mij?’ roep ik harder, met dezelfde onvastheid en met aanzienlijk meer irritatie.
Met een ferme ruk trekt Isa de oortjes uit haar oren. ‘Nee.’ Ze kijkt er boos bij. Bijna aandoenlijk boos.
Ik zucht. Word ik gek? Is Isa een bizar spelletje aan het spelen?

Toen, maar niet zo heel lang geleden

‘Het spijt me.’ De ogen van de arts liegen niet. Net zomin als zijn woorden. Het spijt hem echt. Maar dat verandert niets. Ik voel iets groeien in mezelf dat ik nooit eerder voelde. Het is groter dan verdriet, omvattender dan boosheid, en vele malen enger dan machteloosheid. Ik heb er geen woorden voor. Niet in de verste verte.
Lars zwijgt. Ik zie tranen over zijn wangen lopen, zo langzaam dat ik even twijfel of de zwaartekracht nog wel bestaat. Ik knijp in zijn hand. Hij knijpt terug. Dit is het. Hier gaat het eindigen, over een onbepaalde tijd waarvan we net vernomen hebben dat deze ‘gemiddeld drie tot zes maanden’ duurt. Tot de dood ons scheidt.

Nu

Isa kruipt tegen me aan. De boosheid is weggeëbd. Ze heeft gehuild. En vastgehouden aan wat ze vanaf het ‘sleutelmoment’ beweerd heeft: ze heeft dat beeldje daar niet neergelegd. Ik heb besloten het erbij te laten.
Lang nadat ze in slaap is gevallen lig ik nog wakker. Het maanlicht verlicht zacht de kamer. Af en toe werp ik een blik op het beeldje. Morgen ga ik het weer in de doos stoppen. Het doet teveel pijn. Het port in mijn ziel en wrikt en stoot, ik wil dat niet. Te vroeg. Te groot. Te overweldigend.
De sleutel van het kastje glanst naast het beeldje. Morgen. Dan open ik het tweede kastje. Morgen.
Pas na vier uur in de ochtend dommel ik weg, op het ritme van het tikken dat onophoudelijk mijn gedachten draagt.
Tik. Tik. Tik.

Als ik Isa ’s ochtends in de klas breng, geeft ze me een kus. We zijn weer hetzelfde. Alsof er niets gebeurd is. Het knagende gevoel dat er wel degelijk iets ontwricht is tussen ons, verdring ik.
De juf van Isa heeft haar meest empathische blik opgezet, als haar ogen Isa volgen. ‘Volgens mij gaat het best goed met haar, ze doet goed mee. En ze lijkt niet verdrietig.’
Jezus. Ze lijkt niet verdrietig. Ik ook niet in de buitenwereld. Terwijl ik vanbinnen een zwembad vol tranen ben die voortdurend tegen de rand klotsen. ‘Fijn. De afleiding is goed voor haar.’ Ik ga mee in het praatje van de juf. Als ik iets geleerd heb sinds Lars dood is, is dat mensen het niet snappen, ook niet als je het uitlegt. Ze weten niet wat rouw is, hoe het je opvreet en verteert, terwijl je ogenschijnlijk gewoon functioneert. Bij elke dooddoener knik ik inmiddels bevestigend. Ja, ik ben nog jong en ik vind wel iemand anders. Ja, gelukkig is Isa nog jong, ze groeit er wel overheen. Ja, gelukkig heeft hij niet lang geleden. Ik zou een boek kunnen vullen met dergelijke, achterlijke, alles wat ik echt voel ondermijnende, zinnen. Een dik boek, met meer lucht dan in de hele wereld op een dag ingeademd wordt.

De Dorpsstraat. Een kort straatje met een tattooshop, een platenzaak en een hippe slagerij. Onder andere. En een brocante winkeltje. De deur staat open. Op de straat staan spullen uitgestald, alsof het een rommelmarkt is. Ik zie een theekastje met een oude waskom erop. Een set stoelen uit de jaren vijftig. Drie heiligbeelden: Jezus, Maria en Jozef. Nog een erbij en ze kunnen klaverjassen.
‘Goedemorgen.’ De eigenaresse glimlacht. Waarom glimlacht iedereen toch voortdurend?
‘Goedemorgen. Mag ik u wat vragen?’ Ik voel me onmiddellijk stom. Wat bezielt me? Waarom denk ik dat deze vrouw na al die jaren nog weet waar het beeldje vandaan kwam en wie het kocht? Wat wil ik horen? Dat ze zich Lars herinnert? Zodat ik bevestigd krijg dat hij speciaal was? Dat hij niet een vis in de zee was waar er velen van zijn, maar een bijzondere extra glimmende vis?
Misschien wel. Misschien is dat exact wat ik wil. Horen dat hij bijzonder was. Mooi. Uniek. Hypnotiserend. En levend.

Ze kijkt naar de foto van het beeldje en fronst haar wenkbrauwen. ‘Mmm. Het komt me bekend voor. Het is een…bijzonder beeldje. Wanneer heeft uw man het gekocht zei u?’
‘Zes jaar geleden. Het was een cadeautje voor mij, nadat onze dochter geboren was.’ De pijn van de herinnering knalt erin. Ik koester het. Onze dochter. Alles was zo mooi toen. Zo goed.
‘Ik moet er even over denken. Ik verkoop niet zoveel, dit winkeltje is een hobby, ik hoef er niet van te leven. Dat scheelt. Als u het bij de Blokker gekocht had, had u een probleem gehad.’ Ze lacht. ‘Zes jaar zegt u.’ Haar ogen glijden over de foto. ‘Mag ik de foto even hier houden? Dat ik u bel als ik me wat herinner? Ik kan mijn man ernaar laten kijken, hij komt soms ook met spullen aan voor de winkel.’
Ik knik en schrijf mijn mobiele nummer op. ‘Stuurt u maar een app. Ik ben niet dol op bellen,’ zeg ik terwijl ik haar het papier overhandig.
Met mijn handen in mijn zakken slenter ik weg. Teleurgesteld. Wat had ik gedacht. Dat ze direct zou opveren en zou roepen: O ja. Die prachtige man, dat weet ik nog wel. Hij sprak urenlang over jou en over jullie waanzinnige liefde?

Tik. Tik. Tik. Het lijkt steeds luider te worden. Of ik word steeds gekker. Ik zit op zolder, de doos met kleding van Lars kijkt me aan. Het beeldje heb ik van het nachtkastje weer naar de doos verplaatst en diep weggestopt, onder de truien. De eerste aanraking met de stof maakte me aan het huilen. De tweede aanraking deed me over de grond rollen van verdriet. Ik drukte een trui tegen mijn gezicht aan. Niets. Waarom rook het niet meer naar hem? Helemaal niets. Hij ontglipt me. Zijn geur verdwijnt, zijn stem vervaagt. Wat als ik me hem straks niet meer goed herinner?

Nu, in de klas van Isa

‘Wat teken je daar Isa?’ Juf Els buigt zich over Isa heen. Wat was dat nou?
‘Het.’ Isa bijt op haar onderlip.
‘Het? Wat bedoel je met het?’
‘Het,’ herhaalt Isa. Een druppel bloed glinstert op haar lip.
‘Het ziet er een beetje…’ Juf Els formuleert voorzichtig haar woorden,’ spannend uit. Een beetje eng. Is het een monster?’
‘Het is hét.’ Isa krast met de zwarte stift over het papier.
‘Kun je het me uitleggen? Ik geloof dat ik niet zo goed begrijp wat je bedoelt,’ doet juf Els een nieuwe poging. Ze begint zich zorgen te maken. Niet alleen over de tekening. Ook over de rare staat waarin Isa lijkt te zijn. Ze lijkt…een beetje weg.
‘Het is…’ Isa knijpt haar ogen samen, kijkt om zich heen alsof ze verwacht dat iemand haar in de gaten houdt, en fluistert in het oor van Juf Els: ‘het rouwmonster.’

Nu, op zolder

Op mijn knieën schuif ik naar het kastje. Ze doen zeer, mijn knieën. Ik heb ze beschadigd door tientallen keren heen en weer over de vloer te kruipen. Ik wil mijn pijn eruit krijgen. Desnoods door het te vervangen voor een andere pijn. Het schrijnende gevoel doet goed. Het kastje. De sleutel in mijn hand. Afwisselend warm en koud. Ik ben gestopt met me afvragen hoe dat mogelijk is. Ik vraag me evenmin nog af waar het tikken vandaan komt. Ik snap nu wel waar de uitdrukking ‘getikt’ vandaan komt. Ik kan niet eens meer lachen om die gedachte van mezelf.
De sleutel glijdt eenvoudig het sleutelgat in. Alsof het gisteren gesmeerd is. Nu lach ik wel. Waarom? Geen idee.
De sleutel gloeit weer.
Tik. Tik. Tik.
Lars. Je gezicht. De pijn. Niet de lichamelijke. Die andere pijn. De pijn van het moeten verlaten van het leven. Mij achterlaten. Isa achterlaten. Veel te vroeg. Liefde met een grote L. Liefde zonder leven. Onmogelijk.
Ik trek aan de gloeiende sleutel. Het deurtje gaat langzaam open. Ik adem diep in.
Tik. Tik. Tik.
Mijn adem stokt. Zoals Lars adem stokte. De hitte van de sleutel trekt via mijn vingers door mijn arm naar mijn romp en omvat mijn hart. Ik gloei. Ik gloei als de sleutel.
Het deurtje is open. Ik adem nog steeds niet. Daar staat het. Onmogelijk. Het kan echt niet. Het was niet Isa. Ze heeft niet gelogen.
Ik kijk naar het beeldje. Alle lucht die ik inhield komt er in een krachtige stoot uit, en gaat vergezeld met een onaangenaam hoog geluid. Ben ik dat? Gil ik?
Het beeldje. De liefde erin. Lars. Lars en ik. Ik ontbreek. Lars is daar. Ik ben hier. Het klopt niet. Tik. Tik. Tik. Een klok tikt. Het is tijd. Dát is het. Dat is het tikken. Een klok. Een ultimatum. De tijd is gekomen. Ik laat de sleutel los. Mijn vinger is verbrand, ik voel het niet. Voorzichtig reik ik naar het beeldje. Naar de liefde. Ik sluit mijn ogen. Ik zie…het. Isa zag het. De tekening. Het. Nu snap ik het. Ik voel het beeldje mijn vingers beroeren. Niet andersom. Lars. Liefde. Het. Tranen stromen over mijn gezicht. Kom maar. Eet me op. Verslind me. Ik voel dat ik wegglij. Ik glij naar Lars. Tik. De laatste tik. En net voor ik de wereld verlaat, zie ik het zwart.

Later

De buren snapten er niets van. Het leek een aardige vrouw. Ja, ze had haar man verloren, maar ze zag er sterk uit. Dood? Hoe dan? Dat wisten de hulpdiensten ook niet. De verkoolde vrouw die ze op de zolder aantroffen, leek niets behalve zichzelf in vuur te hebben gezet. Had ze het zelf gedaan? Dat leek onwaarschijnlijk, al zou de roddelmachine dat gerucht ongetwijfeld gaan voeden.
En och, dat arme meisje. Beide ouders verloren. Hoe moest dat nog goedkomen? Ze had er ontredderd uitgezien. Met onder de ene arm een knuffel, en onder de andere arm een raar beeldje. Toen iemand het uit haar handen wilde nemen, had ze gegild. Haar beeldje. Een buurvrouw zweerde dat ze dacht dat er getik uit kwam. Een andere buurvrouw zei daarop dat ze gek was.
Naast de verkoolde vrouw lag, door het vuur onaangetast, haar mobieltje. Het laatste bericht erop was van een onbekend nummer. Er stond iets geschreven over een beeldje, en dat ze dankzij haar man inmiddels wist waar het vandaan kwam. Dat het ooit uit een ingebouwd kastje in een huis was gehaald waar twee mensen woonden die zoveel van elkaar hielden dat ze samen een eind aan hun leven hadden gemaakt, om te voorkomen dat er een alleen achterbleef. Maar dat was het verhaal, waarschijnlijk bedacht om het beeldje, dat er monsterlijk en afzichtelijk uitzag, beter verkoopbaar te maken. Ze wist zich vaag de koper te herinneren. Een aardige man. Met bruine ogen dacht ze, klopte dat?

Veel later

De makelaar knikt vriendelijk. Zijn zonnebankbruine nek rimpelt mee. Ja, er is iets vreselijks gebeurd in dit huis. Daarom staat het al zo lang te koop. Nee, niets raars, gewoon een vrouw die het leven niet meer aankon. Ja, heel triest. Ja, daar is de prijs dan ook naar. Maar het huis is prachtig. Heeft u dat gezien? Authentieke details. Een mooie grote tuin. En hebben de kinderen al gezien dat er twee geheimzinnige kastjes op zolder zijn? Misschien ligt er wel een schat in?

EINDE

Beetje afscheid, voor nu

Lieve mensen, ik ga me de komende maanden even terugtrekken. Ja, ik ga schrijven aan een nieuw boek, maar dat is niet de hoofdreden. Ik heb wat meer rust nodig, en de social media vreten energie. Ik durf wel te zeggen: het valt niet mee om als schrijver jezelf in de markt te zetten. De voortdurende aanwezigheid op die social media, in de hoop dat mensen je zien, je boeken zien, je boeken kopen: ik vind het zwaar.

Toen ik mijn eerste boek schreef, had ik nog de illusie (ja, ik was naief 😉 ) dat het een kwestie van tijd was en dan was ik een beroemde schrijver. De realiteit is helaas anders. De uitgever zegt het, iedereen zegt het: het heeft tijd nodig. Dat snap ik, dat is ook prima, zo werkt het bij alles. Maar na ongeveer drie jaar bespeur ik een vermoeidheid, die zich uit in negatieve emoties, in jaloezie, in frustratie. En dat wil ik niet. Ik ben niet zo, ik wil niet zo worden. Ik houd van schrijven, en ik ben echt oprecht heel erg blij met al die mensen die de moeite nemen die schrijfsels van mij tot zich te nemen. Blijf dat vooral doen, zou ik zeggen… 😉

Ik ga de rust opzoeken, schrijven, mijmeren, nadenken over hoe ik dat verlangen naar erkenning om kan zetten in tevreden zijn met wat het is nu.

Geen zorgen, ik duik op een dag wel weer op, maar voor nu is het mooi geweest. Tot snel, en ik hoop dat voor iedereen 2020 gaat brengen waarnaar verlangd wordt.

 

Veel liefs,

Mariska

 

Schiller komt weer tot leven

Momenteel schrijf ik, zoals je misschien weet als je me volgt op Social Media, een historisch mysterie/roman. Dit verhaal speelt zich af in zowel 1805 als in 2008. De lijn die zich afspeelt in 1805 beschrijft de laatste maanden van het leven van Friedrich Schiller, zijn vrouw Charlotte en zijn schoonzus Caroline. Daarnaast zit er een terugblik naar de zomer van 1788 in, de zomer waarin Friedrich, Charlotte en Caroline elkaar leren kennen en een intense tijd met elkaar beleven. Een tijd die uiteindelijk resulteert in het huwelijk tussen Fritz en Lotte, zoals Friedrich en Charlotte ook wel genoemd worden.

Het is voor mij een bijzondere ervaring om hieraan te schrijven, voor het eerst zijn mijn personages niet verzonnen. Het zijn mensen die echt bestaan hebben, en dat betekent dat ik trouw moet zijn aan de karakters van die personen zoals ze bij leven waren (voor zover we daar iets over weten). Natuurlijk is er een bepaalde vrijheid die je als schrijver mag nemen, maar die is in het geval van historische personen een stuk beperkter dan bij verzonnen personages.

Het ‘grappige’ is dat ik tijdens het schrijven steeds meer merk hoe bijzonder en mooi dit proces is. Bij elke pennenstreek worden de karakters levendiger en krijgen ze meer ziel. Ik zie bijna letterlijk Friedrich Schiller, de zussen Charlotte en Caroline, tot leven komen. Inclusief hun leuke en minder leuke kanten, inclusief de gevoelens die ze (mogelijk) gehad hebben, de problemen waar ze tegen aan liepen. En bij alles wat ik schrijf, vraag ik me af of ik voldoende recht doe aan de mensen die ze waren.

Ik voel me bevoorrecht dat ik dit mag doen, dat ik mensen die voor velen slechts een abstract deel van de geschiedenis zijn, terug mag halen. Dit is zelfs zo bijzonder om te doen, dat ik op dit moment denk dat ik nooit meer anders wil dan historische romans schrijven. Maar goed, nu loop ik op de zaken vooruit. Voorlopig beweeg ik me nog even aan het einde van de achttiende en aan het begin van de negentiende eeuw, in het deel van Duitsland dat we nu deelstaat Thuringen noemen. En mocht je denken, ik wil meer weten over die mensen, dan kan ik je dit artikel aanraden. Er is helaas verder niet zo veel te vinden over hem en de zusters in het Nederlands.
Maar heb geduld, over een tijdje kun je in mijn boek lezen over deze bijzondere man, én over de bijzondere lotgevallen van zijn schedel…. 😉 (waarover in een blog binnenkort meer, want dat is een héél bijzonder verhaal… )

De grote foto is een still uit de film die over de driehoeksverhouding tussen Schiller en de zusters is gemaakt: Die geliebtem Schwestern
Bron grote foto: https://www.berliner-zeitung.de/kultur/film/die-geliebten-schwestern-von-dominik-graf-revolution–privat-3119584

Hoe een ex handig bleek bij een boek schrijven ;-)

Dat mijn eerste serieuze relatie ooit nog eens van pas zou komen bij research, ongeveer 30 (!) jaar later, dat had ik nooit kunnen bedenken.
Het boek waaraan ik nu schrijf, een historisch mysterie, gaat over een onderwerp waarover vrijwel alleen Duitstalige boeken zijn verschenen. Laat die eerste serieuze relatie nu met een Duitser zijn geweest….
Opgroeiend in de grensstreek had ik sowieso een, achteraf bezien, groot voordeel. Ondenkbaar tegenwoordig, maar in de jaren zeventig moesten we het doen met slechts een paar televisiezenders. Omdat we om de hoek van Duitsland woonden, konden wij ook de Duitse televisie ontvangen. Mijn moeder keek allerlei series op zenders als de WDR, die heerlijk fout nagesynchroniseerd waren in het Duits.
Dat, en die Duitse vriend, hebben een basis gelegd die nu heel erg van pas komt. Sterker nog, ik had anders dit boek niet kunnen schrijven omdat er simpelweg te weinig informatie in het Nederlands (of eventueel Engels) voor handen is.
Ik geniet me ondertussen suf met de herbeleving van de taal. Het boekje dat ik nu lees omvat een verzameling brieven tussen Schiller en zijn (dan nog te worden) vrouw Charlotte, en haar zus Caroline. In aanvang is er een soort vage driehoeksverhouding, maar uiteindelijk trouwt Schiller met Lotte. De zus Caroline blijft echter altijd een rol spelen. En dan lees ik zinnen als:

“O gewiss, wir sind nie getrennt, unsere seelen begegnen sich immer!”
(o zeker, we zijn nooit gescheiden, onze zielen zijn altijd bij elkaar!)

Ik lees de liefde, ik voel het smachten. Duits een harde taal? Echt niet, wat mij betreft is het de meest onderschatte poëtische taal ooit. Benieuwd wat jullie daarvan vinden: is Duits een poëtische taal? Of juist niet? En welke taal dan wel?

This aggression will not stand!

Onlangs heb ik me laten gaan in een (blog)discussie over de rol van vrouwenthrillers in thrillerland. Los van wat likes en ‘goed zo’ van enkele vrouwen, leverde het voornamelijk ergernis op bij mensen, lees: vrouwen. Tot mijn grote verbazing.

Het heeft geen zin

Onder het motto ‘Het heeft toch geen zin’ lieten sommigen mij weten dat ik vooral bezig was met een heilloze missie en mezelf voor gek zette. De afgelopen dagen heb ik het laten bezinken. Want een beetje reflectief vermogen bezit ik ook nog wel. Hadden ‘ze’ gelijk? Verspilde ik mijn energie aan iets wat geen zin had? Had ik me voor het karretje laten spannen van een stelletjes testosteronmannen die achter mijn rug nu hard lachten om dat gekke mens dat erin getuind was?
Ik merkte, traag maar gestaag, dat ik door dit hele gedoe de kranten en alles wat voorbij kwam in Social Media met een andere bril ging lezen. Eerder beschouwde ik mezelf helemaal niet als ontzettend feministisch. Ik dacht er eerlijk gezegd niet eens echt over na. Pas door me te bemoeien met dit onderwerp, ging er een lampje ergens branden dat met de dag feller werd.
Ik las de afgelopen dagen bijvoorbeeld een interview met Marianne Thieme waarin ze zegt dat anno 2019 in de Tweede Kamer een debat tussen vrouwen een catfight werd genoemd. Iets wat bij een debat tussen mannen never nooit gebeurt. En ik las een interview met dj Lex Harding die bijna trots beweerde dat er in zijn Veronicadagen geen enkele vrouwenkont was waarin hij niét geknepen had. En dat we daar niet over moeten zeiken.

Klap op de vuurpijl

De klap op de vuurpijl kwam vandaag, zondag 10 maart. En het is de reden waarom ik dit nu schrijf, en besloten heb, wat anderen ook zeggen, erover door te zeiken. Tot het einde der dagen.
Wat gebeurde er? Ik ging bij mijn dochter (ze is 18) op bed zitten die, na een nacht stappen met een vriendin, net een beetje wakker aan het worden was.
’Hoe was het?’ vroeg ik.
‘Wel leuk,’ antwoordde ze. Waarop ze ongemakkelijk grinnikte en vervolgens ontsteld zei: ‘Er heeft drie keer iemand aan m’n billen gezeten!’
‘Heb je ze geslagen?’ was mijn primaire reactie.
Dat had ze niet. Drie keer had een jongen aan haar billen gezeten. Een keer had ze zich omgedraaid en de dichtstbijzijnde jongen in zijn nek gepakt en gevraagd: ‘Deed jij dat?’ Waarop hij lachend antwoordde: ‘De eerste keer was het iemand anders, net deed ik het. Vind je dat erg dan?’ Dat vroeg hij echt. Vind je dat erg. Waanzin. ‘Wil je dat nooit meer doen?’ beet mijn dochter hem toe en liep weg.

Flashback

Ik kreeg instant een flashback naar mijn eigen jeugdjaren. Ontelbare keren ben ik in mijn billen geknepen, streek er ‘per ongeluk’ een hand langs mijn rug/nek/dij. Greep iemand me bij mijn borsten om vervolgens lachend weg te lopen. Voelde ik in de drukte iemands kruis niet noodzakelijk stevig tegen mijn billen drukken. Nooit was ik zo dapper als mijn dochter. Ik ben trots dat zij in ieder geval van zich afbijt. Maar wat ik wil, is dat het niet meer gebeurt. Ik wil dat jongens/mannen snappen dat het fout is. Megafout.

I have a dream

Zolang dit soort dingen gebeuren, blijf ik in discussie gaan. Of het nu gaat over denigrerend gelul (ja, bewuste woordkeuze) in de context van vrouwenthillers, of over wat dan ook, ik zwijg niet. Ook niet als andere vrouwen daarvoor kiezen. Want al die voorvallen zijn in de kern met elkaar verbonden. Er ligt een al dan niet bewuste visie op vrouwen aan ten grondslag, die niet getolereerd mag worden, die te vaak leidt tot grensoverschrijdend gedrag, in woord of daad. Ik schreef ergens in een eerdere facebookreactie al: als iedereen zo denkt (‘Het heeft toch geen zin’), waren alle negers nog slaven, en zaten alle homo’s nog in de kast. En dan blijven mannen billen knijpen en vrouwen aanraken zonder hun toestemming. Ik wil dat niet, ik wil dat als mijn dochter mijn leeftijd bereikt heeft, háár dochter op de vraag hoe het was bij het uitgaan, niets meer hoeft te vertellen over jongens die haar ongewenst aanraakten. Ik wil dat ze tegen die tijd tegen de oude verrimpelde versie van mij kan zeggen: ‘Weet je nog mam, vroeger?’ En dat ik dan knik en denk: ‘Vroeger, toen niet alles beter was, ik weet het nog. Gelukkig is dat voorbij’.

Schiller en het ontstaan van een boek

In het jaar dat Hoofdzaak verscheen, was ik voor het eerst in Weimar in Duitsland. Ik ging een paar dagen alleen weg om tot rust te komen. Het was er heerlijk, in die prachtige, romantische stad van Goethe en Schiller. In die dagen ontdekte ik daar iets heel bijzonders waar ik het bestaan niet van kende. Iets waarvan ik op de terugweg in de trein dacht: ik moet hier een boek over schrijven. Ik ben in dat najaar teruggegaan voor meer research, en thuisgekomen met prachtige ideeën en stapels boeken.
Zoals dat in het leven gaat, kwam er vanalles tussen (twee nieuwe boeken bijvoorbeeld), maar deze week was het eindelijk zover: ik heb de stapels erbij gepakt, mijn eerste aantekeningen die ik destijds maakte, en ik ga beginnen!
Met deze blog ga ik jullie een beetje de weg laten volgen van dit boek, van research tot een hopelijk gepubliceerd eindresultaat.
Uiteraard kan ik niet alles verklappen, maar wel dit: het gaat een historisch mysterie worden dat zich in twee periodes afspeelt, met twee hoofdpersonages. De ene periode speelt zich af in 2008, met hoofdpersoon Johnny, een journaliste van begin twintig. De andere periode speelt zich af rond 1800 in Weimar, met als hoofdpersoon de vrouw van Friedrich Schiller: Charlotte.
Kleine waarschuwing: tijdens het schrijfproces verandert mijn idee soms, dus houdt niet al te veel vast aan wat ik je vertel…. 😉
Voor nu ga ik me verdiepen in brieven tussen Schiller en Charlotte. Ik ga de komende tijd zoveel mogelijk in hun huid, in hun stad en in hun tijd kruipen. Ik heb er zin in!

Handreiking naar Tomas Ross (en een voorafje)

Soms word je wakker op een zondag en lees je iets dat alles bevestigt wat je al wist. Deze zondag was dat de column van Tomas Ross, die hij in reactie op columns van Saskia Noort en ondergetekende schreef. Mijn eerste gedachte toen ik het las was: I rest my case. Zo ongeveer elke zin in zijn column versterkt het punt dat ik trachtte te maken. Het onvermijdelijke woord ‘feminist’ viel. Ik zag de barricaden alweer voor me, alleen was ik niet van plan mijn beha’s te gaan verbranden.

Wat nu zo jammer is, is dat Ross het punt volledig mist. Ik spreek nu voor mezelf, niet voor Saskia. Mijn reactie ging inderdaad niet over de kwaliteit van thrillers, wat hij zo jammer vindt. Punt is, dat wanneer er op een manier bejegend wordt die zo tegen de borst stuit, een manier die een grote groep mensen (lees vrouwen) over één kam scheert, ik geen zin meer heb om op de eigenlijke inhoud in te gaan. Als mijn kinderen mij scheldend iets vragen, ga ik in op het gescheld, niet op de rest. Pas als ik normaal aangesproken word, krijgen ze het antwoord waar ze op zitten te wachten. Als je dan in je verweercolumn aankomt met opmerkingen als ‘de brandstapel rookt alweer, gedachtepolitie’ en och, je haalt er ook nog een dode vriend bij, dan laat je jezelf vooral kennen in mijn optiek.

Dit is exact wat al zo lang gebeurt: wat er gebeurde als joden, negers, homo’s en vrouwen voor hun rechten gingen staan (Ja, dit klinkt dramatisch, en nee, ik moet niet bijna ongesteld worden). Dan wordt alle opstand gebaggataliseerd onder het mom: ‘je mag ook helemaal niets meer zeggen’. Nou, laat ik het dan maar benadrukken: nee, dat mag ook niet! Als je daadwerkelijk over inhoud wilt praten, moet de uitgangspositie gelijkwaardig zijn. Dan moet de bejegening gelijkwaardig zijn. Dan moet de erkenning van elkaar als mens gelijkwaardig zijn. Dat mag u flauw en zeikerig of wat dan ook vinden, mijnheer Ross, maar dat is wat mensen normaal gesproken horen te doen. Als u dan niet verder komt dan mijn achternaam als een feministische uiting te interpreteren, dan doet dat vooral bij mij het vermoeden rijzen dat u last heeft van omgekeerde penisnijd. Ik kan dan op geen enkele manier de opgeroepen inhoudelijke vraag nog serieus nemen.

Maar, omdat ik wel degelijk gedachten en zorgen heb over de kwaliteit van thrillers en daaraan verbonden het imago van het genre, reik ik bij deze de hand. Als relatief onbekende vrouwelijke en kennelijk feministische schrijver nodig ik Ross uit om in gesprek te gaan over de kwaliteit van thrillers, van zowel man als vrouw. In gesprek zonder denigrerende toevoegingen, dat dan weer wel. Van mens tot mens, niet van man tot vrouw of van kwebbelkut tot niet meer relevante oude man. In afwachting daarvan ga ik verder met boeken te schrijven van nog te bediscussiëren kwaliteit.

Lees hier de laatste reactie van Ross.

Kwebbelkutjes, serieus?

Kwebbelkutjes. Ik moest twee keer kijken. Het stond er echt.

Tomas Ross, schrijver van faction, ofwel thrillers waarin facts en fictie vermengd worden, schreef een column in reactie op een andere column waarin de feminisering van het genre beschreven wordt. In die column voerde vooral de ‘vrouwen domineren het genre-gedachte’ de boventoon. Het kwam op mij nogal klagerig over, maar goed. In een nog steeds door mannen gedomineerde wereld is het wellicht pijnlijk te ervaren dat er zowaar een plekje in die wereld bestaat waar vrouwen de boventoon voeren. Wat ik overigens betwijfel, maar daar wil ik nu niet op ingaan.

Terug naar de kwebbelkutjes. In eerste instantie wist ik niet zo goed of ik me het moest aantrekken. Ik schaar mijn eigen boeken niet onder wat Ross als de typische vrouwenthriller beschouwt, maar als anderen dat wel doen: ik lig er niet wakker van.

Wat ik me wel onmiddellijk aantrok was de toon. Kwebbelkutjes. Serieus, mijnheer Ross? In deze tijd, een tijd waarin Johan Derksen bijkans de laan uitvloog vanwege een opmerking over homo’s, de tijd waarin vrouwen misschien wel meer dan ooit een poging doen onder een mannenjuk uit te kruipen (#metoo), in die tijd noemt u (een deel van) de vrouwen kwebbelkutjes? Omdat ze in uw ogen pulp, wegwerpboekjes en vliegtuiglectuur schrijven? Ik heb zelden iemand zo denigrerend over notabene zijn collega’s horen praten. Überhaupt over vrouwen. En ik verbaas me er in hoge mate over dat dit zomaar kan, dat er geen ophef over ontstaat. Of is iedereen het gewoon stiekem met hem eens? Vinden we het normaal dat zodra iets door iemand als kwalitatief minder bestempeld wordt, we de makers ervan als kwebbelkutjes mogen afserveren? Ik vind het not done, en dan druk ik me nog voorzichtig uit…

Op één punt moet ik mijnheer Ross gelijk geven: elke idioot kan een column schrijven, schrijft hij. Dat blijkt wel weer.

Lees hier de column van Ross, en hier de column van Kuijt die eraan voorafging.

Ongelooflijk?

Bij de eerste berichten over de Nashvilleverklaring ging mijn theologenhart sneller kloppen. Ik houd wel van dat geneuzel in de marge over Bijbelteksten. Toen ging mijn pro-LHBTI-hart sneller kloppen, want och, al die arme jongens en meisjes die door een deel van de christelijke bevolking in hun geaardheid aangevallen worden. En toen klopte gewoon mijn mensenhart, waarin al die kanten verenigd zijn. O jee, wat nu?
In 2004 ging ik theologie studeren, omdat ik twee vragen had:

1. Bestaat God?
2. Waarom geloven mensen?

Als niet-religieus opgevoed en atheïstisch meisje (nou ja, vrouw) stapte ik een voor mij volledig onbekende wereld in. De wereld van Bijbelexegese, godsdienstwetenschap en nog veel meer. Om mij heen zaten gelovigen: van pinkstergemeente tot twijfelend katholiek. Na vier jaar had ik meer vragen dan de twee waar ik mee begon, maar ik had ook enorm veel geleerd. Over geloof, maar vooral over mensen.

En dan komt er een verklaring naar buiten die gans Nederland in een morele hoek duwt. Een theologische discussie die al eeuwen gevoerd wordt, werd van de een op de andere dag een politiek-maatschappelijke discussie. En zo ongeveer heel Nederland, althans het deel dat op Social Media actief is, struikelt over elkaar om die gruwelijke middeleeuwse christenen virtueel aan de schandpaal te nagelen en tegelijkertijd de juiste morele inborst ten toon te spreiden: kijk mij een goed mens zijn, want ik ben pro-homo, pro-lesbisch, pro-transgender. En in het kader van die ruimhartige goedheid, wordt vervolgens een groep mensen de slachtbank opgeduwd omdat ze volgens de huidige heersende normen conservatief en middeleeuws zijn. En iedereen doet lekker mee.

SGP-frontman Kees van der Staaij werd bij Jinek vakkundig gefileerd met technieken die sommige orthodoxe christenen ook niet vreemd zijn: je pikt één zin uit een tekst (bijbel, of in het geval van Jinek: een Nashvilleverklaring) en trekt die uit de context, om er vervolgens iemand lang en hard mee om de oren te slaan. Alles om het gelijk aan je kant te krijgen. De aanwezige brave D66-mevrouwstaatssecretaris van emancipatie (want die weet zoveel over theologie…) speelde een andere bekende troef: de emotiekaart. Ze haalde een individueel geval naar voren van iemand die zo enorm geleden had onder het juk van de kerk in combinatie met haar lesbische geaardheid. Durf daar maar eens iets negatiefs op te zeggen.

En dan heb ik het nog niet gehad over het God-argument. Ook altijd populair. Ook door beide kanten ingezet: God vindt dat het huwelijk alleen tussen man en vrouw kan plaatsvinden. God keurt homoseksualiteit af. En de andere kant roept dan, en dat vind ik altijd erg grappig omdat ‘zij’ niet in een God geloven, wat ook direct benadrukt wordt, om er vervolgens wél een visie aan op te hangen (ruikt u de ironie ook?): Als God al bestaat zou hij van alle mensen houden, ook van homo’s.

Ik verlang inmiddels terug naar mijn studietijd. Toen zaten we samen, van ongelovig tot orthodox, en gingen we met elkaar in gesprek. En waren we het niet altijd eens. En dronken we een biertje. En ik wil heel graag geloven dat zoiets nog steeds een optie is.

Wederopstanding

Als klein meisje verheugde ik mij op de kerst, want dan gingen we fonduen (de jaren 70 versie van gourmetten… ). Kerst was bij ons een kerstboom met gekleurde lampjes, mooie kleding aan die vreselijk zat, je vervelen, en fonduen dus. En o ja, een flonkerende kerstster voor het raam.
Geloof het of niet, maar als non-religieus opgegroeid meisje, inclusief openbare school en een compleet gebrek aan gelovigen om mij heen, had ik pas veel en veel later door dat kerstmis iets met een geloof te maken had.
Niet dat het veel uitmaakte, want ik geloofde niet in een God. Dus bleef kerst wat het was: een feest met een boom en lekker eten. Er zijn ook jaren geweest dat ik niets deed met kerst. Ik vond het maar overdreven consumentistisch gedoe.

Toen kreeg ik kinderen, en in de beginjaren werd kerst daardoor vooral een stressvolle tijd. Kerstdiners op school, familiebezoek (dubbel: eigen- en schoonouders, want tja, dat vinden zij zo gezellig), en in ere herstellen van een traditie: een mooie boom, kleurige lampjes en lekker eten. Die nette kleding lukte meestal niet, maar de rest wel.
En nu is het 2018. De kinderen zijn 14 en 18, de man is een andere dus de schoonfamilie ook. En kerst is er nog steeds.
En vandaag, de 24e, ik ben even alleen thuis na de horror van het boodschappen doen, en ik kijk naar de kerstboom. Dankzij dochterlief is hij prachtig versierd. Ik denk aan waar kerstmis eigenlijk voor staat. Ik denk aan de geboorte van een kindje (oké, die niet daadwerkelijk in december geboren is, maar we vieren het nu wel). Een kindje dat de hoop voor de mensheid vertegenwoordigt. Noem hem Jezus, noem hem hoe je wilt. Voor mijn part is hij gender- en klimaatneutraal, maar punt is dat er ooit iemand was die de mensheid verbond. Iemand waar je in kunt geloven of niet.

Maar ik zie hem niet. Niet bij mijn boom, niet bij anderen. Niet in onze samenleving. En ik bedoel uiteraard niet letterlijk. Zo ver ben ik nog niet van het padje af. Ik bedoel: geloven we nog wel in kerst? In dat samenzijn en in de hoop van nieuw leven dat ons allen verbindt? Als klein meisje had ik een excuus, ik wist niets, ik kreeg geen uitleg. Nu, als volwassen vrouw met ook nog een theologiestudie achter de kiezen, kan ik me niet meer verbergen achter onwetendheid. En wat mij betreft is toenemende ongelovigheid ook geen excuus. Waarom zou je niet geloven in iemand die ons wil verbinden? We hebben toch ook een koning die ons verbindt? En nu niet iets zeggen over iemand die wel of niet echt bestaat, dat is niet het punt. Het punt is dat ik om me heen kijk en de wereld beetje bij beetje uiteen zie vallen. Punt is dat we soms iets nodig hebben dat ons samenbrengt, iets dat een boom en lekker eten overstijgt. Iets dat ons boven onszelf uit tilt.

De afgelopen twee maanden was er (en het loopt nog steeds) een ononderbroken dienst in het buurt- en kerkhuis Bethel in Den Haag, om uitzetting van een Armeens gezin te voorkomen. Dát is Jezus. Dát is hoop. Dát is kerst, zonder dat het 25 december is. Dat wil ik, dat gevoel, ook al is het alleen maar met kerst. Dat is in ieder geval een start.
Flauw? Naïef? Zeikerig? Misschien. Maar cynisme is er al genoeg (ik heb er ook bergen van).
Ik kijk naar de kerststal die in onze vensterbank staat, en naar het historisch foutieve witte baby’tje erin. Het maakt niet uit. Hij ligt er. Ik pleit bij deze voor een rehabilitatie van Jezus, ook als je niet gelooft. Een soort wederopstanding. Misschien in iets andere vorm en minder letterlijk dan oorspronkelijk bedoelt, maar hé, we moeten ergens beginnen, toch?