21 gram

21 Gram

21 Gram. Dat is het gewicht dat een lichaam verliest nadat het sterft. Ik heb het niet gecontroleerd. Dan had ik mijn broer moeten wegen vlak voor hij stierf, en direct daarna. Bovendien had hij al veel gewicht verloren door de kanker, ik weet niet of dat van invloed is op de uitslag. Dus neem ik voor waar aan wat de mythe zegt: 21 gram is het verschil tussen een levend en een dood lichaam, en dat noemen we de ziel.
Ik heb dat niet zelf bedacht. Een arts genaamd Duncan McDougall heeft dat in 1907 ontdekt. Hij wilde weten of er na de dood een ziel het lichaam verlaat, en heeft zes terminale tuberculosepatiënten op een speciaal bed met een weegschaal gelegd. Hij woog de patiënten voor, tijdens en na hun sterven, en kwam op een gemiddelde van 21 gram verschil. De, ik geef toe, twijfelachtige conclusie was dat de ziel bestond, en 21 gram woog. In tijden van dood worden twijfelachtige conclusies broodnodige houvasten, en zo begon het.
Ik heb het afgewogen met rijst. Weet je hoeveel korreltjes dat zijn? Ik wel. Veel meer dan ik verwacht had. Het bleken om precies te zijn 1478 korreltjes witte basmatirijst. Nou ja, misschien hangt het ook een beetje af van de kwaliteit van de weegschaal. Ik heb de weegschaal uit mijn moeders keukenkast gebruikt, en het gecontroleerd met de brievenweegschaal van mijn vader. Het verschil was 38 korrels, ik vind dat te verwaarlozen. Overigens vermoed ik dat een ander soort rijst een ander getal oplevert. Maar om nu alle soorten die bij de supermarkt in de schappen staan te vergelijken, dat gaat me een beetje te ver.
Dat ik voor rijst koos is puur toeval. Het had ook hagelslag kunnen zijn, of fusilli. Het idee om het gewicht van 21 gram te visualiseren kwam toen mijn moeder nasi ging maken. Zo simpel gaat het soms in het leven. Als mijn moeder een boterham met hagelslag aan het smeren was geweest, had ik nu een zakje hagelslag in mijn zak gehad. Achteraf ben ik er blij om, want ik vrees dat chocola in mijn zak uiteindelijk tot een klont zou zijn verworden. Een klont ziel. Dat klinkt raar. Om een soortgelijke reden heb ik ervoor gekozen om de rijst niet te koken. Dan krijg je zo’n plakprop, die bovendien gaat rotten. Ik zie de ironie daar wel van in, maar het leek me op termijn onfris.
De 1478 korrels basmatirijst heb ik in een zakje gedaan. Eerst in een boterhamzakje, maar die zijn niet zo sterk, en het deed me teveel denken aan dat wat je vroeger op de lagere school deed: shampoo in een boterhamzakje. Want dat voelt zo lekker, en daar ging het nu helemaal niet om. In de schuur, tussen de gereedschappen van mijn vader, links op het houten plankje boven de werkbank, vond ik een ziplockzakje van het formaat 5×10 centimeter. Dat was perfect. Alsof het zo moest zijn. Ik denk niet dat mijn vader het zakje mist, hij is al tijden niet meer in de schuur geweest. Hij knutselt niet meer, of wat hij daar ook deed.
De sluiting, het zipgedeelte, voelt fijn. Met het grootste gemak schuif je het open en weer dicht. Zo vaak als je wilt, het is onvermoeibaar en volgens mij zo goed als onslijtbaar. En als het gesloten is, kan ik de rijstkorrels, veilig beschermd door het plastic, door mijn vingers laten rollen. Mijn ziel onder mijn arm. Zijn ziel in een zipzakje. Ik durf de korrels niet meer met mijn handen aan te raken zonder dat laagje plastic bescherming. Misschien wordt het smetteloze wit dan langzaam smoezelig, grijs, misschien wel zwart. Dat mag nooit gebeuren.
Mijn moeder heeft het niet gemerkt, dat ik rijst wegpakte. Dat is niet vreemd; op een berg rijst van tienduizenden, misschien wel honderdduizenden, korrels, mis je 1478 korrels niet. Ze heeft die bewuste dag het eten gemaakt, het geserveerd, en opgegeten. Zoals elke dag voor mijn broers dood, en elke dag erna. Soms huilt ze tijdens het eten, dat deed ze vroeger niet. Ik zie haar kijken naar de lege plek tegenover haar. Mijn vader zwijgt, en kauwt nauwelijks. Zijn maag heeft het vast zwaar te verduren met die grote brokken voedsel. Ik kijk tijdens het eten vooral naar beneden. Ik denk dat mijn ouders denken dat ik triest ben, maar ik kijk YouTube-filmpjes op mijn mobiel die op mijn schoot ligt. Ondertussen rollen de korreltjes in het zakje in mijn broekzak tussen mijn duim en wijsvinger door.

‘Is dit van jou?’
Ik draai me om en kijk in het gezicht van iemand die ik niet ken. Hij houdt een zakje met rijstkorrels omhoog. Vanochtend voor ik naar school ging had ik gewoontegetrouw het zakje verplaatst van de broek die ik gister droeg, naar de broek die ik vandaag wilde dragen. Zo’n baggy broek, waarvan je denkt dat hij minstens drie maten te groot is maar dat blijkt zo te horen. De zakken waren ook al zo ruim, maar dat leek me in mijn geval een voordeel. Dat voordeel bleek een nadeel. Als je ergens veel in kunt stoppen, kan er ook veel uit vallen.
Ik knik omdat mijn stem spontaan dienst weigert, en strek mijn hand uit.
‘Waarom heb je rijst in een zakje?’ vraagt de jongen. Hij doet geen aanstalten mij het zakje te geven. Ik zie hoe hij met zijn vingers de rijst rolt. De inhoud van mijn maag golft omhoog tot aan mijn strotklepje.
Nooit had ik over een pasklaar antwoord nagedacht, omdat ik die vraag nooit verwacht had. Ik wil geen antwoord geven, ik wil mijn broer terug. Opnieuw strek ik mijn hand uit, en met moeite breng ik de woorden uit: ‘Geef terug.’
De jongen trekt even met de linkerhoek van zijn bovenlip. Dan haalt hij zijn schouders op, overhandigt mij het zakje, en loopt langs me heen, waarbij hij met zijn rechterschouder de mijne raakt. Ik hoor hem het woord ‘sukkel’ mompelen. Schichtig kijk ik om me heen. De grote hal stroomt langzaam leeg. Ik moet nu naar de les. Maar dat gaat niet. Het beeld van de groezelige vingers van een vreemde over de rijstkorrels verblindt me. Ik schuif langzaam het zakje open en kijk erin. Er is niets veranderd. En toch ook wel. Ik snuif. Het ruikt naar rijst, als altijd. En dan gaat het helemaal, gruwelijk mis. Omdat uiteindelijk alles altijd misgaat.
Dezelfde jongen komt terug met vrienden. Ze cirkelen om me heen en ze lachen om mij en mijn zakje rijst. Een van hen trekt het zakje uit mijn hand en gooit de rijst op de grond. Ze lopen verder. De korreltjes vliegen alle kanten op, nadat dat ze op de stenen vloer spatten. Ik laat me op mijn knieën vallen, en graai. Ik hoor het gelach van de jongens verstommen. Een voor een stop ik de korreltjes terug in het zakje. En ik tel. Een. twee. drie. vier. vijf. Bij tien huil ik. Bij twintig gier ik. Bij dertig loopt het snot mijn neus uit. Bij veertig kan ik nauwelijks nog ademen. Bij vijftig ben ik alleen op de wereld.

17 Gram. 1267 Korrels.
Ik heb drie keer opnieuw geteld. Drie keer over zijn het 1267 korrels. Daarna heb ik ze gewogen, alleen met de keukenweegschaal nu. 17 Gram. 17 Gram is geen 21 gram. 1478-1267= 211 korrels. 211 Korrels is 21-17= 3 gram. 211 Korrels heb ik niet meer gevonden. Ik heb het echt geprobeerd. Tot een schoonmaker naar me toe kwam en zei dat ik de school moest verlaten. Nu zitten er waarschijnlijk 211 rijstkorrels in een stofzuigerzak. 3 Gram ziel.
Midden in de nacht sluip ik naar de keuken. Ik hoor mijn vader snurken in de logeerkamer. Onder de deur van mijn moeders slaapkamer flakkert licht. Beneden pak ik een nieuw pak rijst uit de kelderkast. Ik twijfel kort maar breek het toch aan. Alle korrels lijken op elkaar. Ik kan 211 korrels uittellen en bij in het ziplockzakje doen. Dan heb ik weer 21 gram. 1478 Korrels. Ik neem een lepel rijst uit het pak en begin te tellen. Bij 17 stop ik. Het is geen basmatirijst zie ik. Het is pandanrijst. Dat kan ik niet mengen. Het klopt niet. Met trillende handen berg ik de zak rijst weer op, en sluip naar boven. Het licht bij mijn moeder is uit. Mijn vader snurkt niet meer.
Ik kruip in mijn bed en leg het zipzakje naast me op het nachtkastje. Ik wrijf er behoedzaam met mijn vingers over en denk aan mijn broer. Misschien is het allemaal niet waar. Wat wisten ze er nu helemaal van, in 1907? Misschien weegt een ziel soms 17 gram. Dat kan best. Tenslotte was 21 gram een gemiddelde. Ik knip mijn lamp uit.