Schiller komt weer tot leven

Momenteel schrijf ik, zoals je misschien weet als je me volgt op Social Media, een historisch mysterie/roman. Dit verhaal speelt zich af in zowel 1805 als in 2008. De lijn die zich afspeelt in 1805 beschrijft de laatste maanden van het leven van Friedrich Schiller, zijn vrouw Charlotte en zijn schoonzus Caroline. Daarnaast zit er een terugblik naar de zomer van 1788 in, de zomer waarin Friedrich, Charlotte en Caroline elkaar leren kennen en een intense tijd met elkaar beleven. Een tijd die uiteindelijk resulteert in het huwelijk tussen Fritz en Lotte, zoals Friedrich en Charlotte ook wel genoemd worden.

Het is voor mij een bijzondere ervaring om hieraan te schrijven, voor het eerst zijn mijn personages niet verzonnen. Het zijn mensen die echt bestaan hebben, en dat betekent dat ik trouw moet zijn aan de karakters van die personen zoals ze bij leven waren (voor zover we daar iets over weten). Natuurlijk is er een bepaalde vrijheid die je als schrijver mag nemen, maar die is in het geval van historische personen een stuk beperkter dan bij verzonnen personages.

Het ‘grappige’ is dat ik tijdens het schrijven steeds meer merk hoe bijzonder en mooi dit proces is. Bij elke pennenstreek worden de karakters levendiger en krijgen ze meer ziel. Ik zie bijna letterlijk Friedrich Schiller, de zussen Charlotte en Caroline, tot leven komen. Inclusief hun leuke en minder leuke kanten, inclusief de gevoelens die ze (mogelijk) gehad hebben, de problemen waar ze tegen aan liepen. En bij alles wat ik schrijf, vraag ik me af of ik voldoende recht doe aan de mensen die ze waren.

Ik voel me bevoorrecht dat ik dit mag doen, dat ik mensen die voor velen slechts een abstract deel van de geschiedenis zijn, terug mag halen. Dit is zelfs zo bijzonder om te doen, dat ik op dit moment denk dat ik nooit meer anders wil dan historische romans schrijven. Maar goed, nu loop ik op de zaken vooruit. Voorlopig beweeg ik me nog even aan het einde van de achttiende en aan het begin van de negentiende eeuw, in het deel van Duitsland dat we nu deelstaat Thuringen noemen. En mocht je denken, ik wil meer weten over die mensen, dan kan ik je dit artikel aanraden. Er is helaas verder niet zo veel te vinden over hem en de zusters in het Nederlands.
Maar heb geduld, over een tijdje kun je in mijn boek lezen over deze bijzondere man, én over de bijzondere lotgevallen van zijn schedel…. 😉 (waarover in een blog binnenkort meer, want dat is een héél bijzonder verhaal… )

De grote foto is een still uit de film die over de driehoeksverhouding tussen Schiller en de zusters is gemaakt: Die geliebtem Schwestern
Bron grote foto: https://www.berliner-zeitung.de/kultur/film/die-geliebten-schwestern-von-dominik-graf-revolution–privat-3119584

Hoe een ex handig bleek bij een boek schrijven ;-)

Dat mijn eerste serieuze relatie ooit nog eens van pas zou komen bij research, ongeveer 30 (!) jaar later, dat had ik nooit kunnen bedenken.
Het boek waaraan ik nu schrijf, een historisch mysterie, gaat over een onderwerp waarover vrijwel alleen Duitstalige boeken zijn verschenen. Laat die eerste serieuze relatie nu met een Duitser zijn geweest….
Opgroeiend in de grensstreek had ik sowieso een, achteraf bezien, groot voordeel. Ondenkbaar tegenwoordig, maar in de jaren zeventig moesten we het doen met slechts een paar televisiezenders. Omdat we om de hoek van Duitsland woonden, konden wij ook de Duitse televisie ontvangen. Mijn moeder keek allerlei series op zenders als de WDR, die heerlijk fout nagesynchroniseerd waren in het Duits.
Dat, en die Duitse vriend, hebben een basis gelegd die nu heel erg van pas komt. Sterker nog, ik had anders dit boek niet kunnen schrijven omdat er simpelweg te weinig informatie in het Nederlands (of eventueel Engels) voor handen is.
Ik geniet me ondertussen suf met de herbeleving van de taal. Het boekje dat ik nu lees omvat een verzameling brieven tussen Schiller en zijn (dan nog te worden) vrouw Charlotte, en haar zus Caroline. In aanvang is er een soort vage driehoeksverhouding, maar uiteindelijk trouwt Schiller met Lotte. De zus Caroline blijft echter altijd een rol spelen. En dan lees ik zinnen als:

“O gewiss, wir sind nie getrennt, unsere seelen begegnen sich immer!”
(o zeker, we zijn nooit gescheiden, onze zielen zijn altijd bij elkaar!)

Ik lees de liefde, ik voel het smachten. Duits een harde taal? Echt niet, wat mij betreft is het de meest onderschatte poëtische taal ooit. Benieuwd wat jullie daarvan vinden: is Duits een poëtische taal? Of juist niet? En welke taal dan wel?

This aggression will not stand!

Onlangs heb ik me laten gaan in een (blog)discussie over de rol van vrouwenthrillers in thrillerland. Los van wat likes en ‘goed zo’ van enkele vrouwen, leverde het voornamelijk ergernis op bij mensen, lees: vrouwen. Tot mijn grote verbazing.

Het heeft geen zin

Onder het motto ‘Het heeft toch geen zin’ lieten sommigen mij weten dat ik vooral bezig was met een heilloze missie en mezelf voor gek zette. De afgelopen dagen heb ik het laten bezinken. Want een beetje reflectief vermogen bezit ik ook nog wel. Hadden ‘ze’ gelijk? Verspilde ik mijn energie aan iets wat geen zin had? Had ik me voor het karretje laten spannen van een stelletjes testosteronmannen die achter mijn rug nu hard lachten om dat gekke mens dat erin getuind was?
Ik merkte, traag maar gestaag, dat ik door dit hele gedoe de kranten en alles wat voorbij kwam in Social Media met een andere bril ging lezen. Eerder beschouwde ik mezelf helemaal niet als ontzettend feministisch. Ik dacht er eerlijk gezegd niet eens echt over na. Pas door me te bemoeien met dit onderwerp, ging er een lampje ergens branden dat met de dag feller werd.
Ik las de afgelopen dagen bijvoorbeeld een interview met Marianne Thieme waarin ze zegt dat anno 2019 in de Tweede Kamer een debat tussen vrouwen een catfight werd genoemd. Iets wat bij een debat tussen mannen never nooit gebeurt. En ik las een interview met dj Lex Harding die bijna trots beweerde dat er in zijn Veronicadagen geen enkele vrouwenkont was waarin hij niét geknepen had. En dat we daar niet over moeten zeiken.

Klap op de vuurpijl

De klap op de vuurpijl kwam vandaag, zondag 10 maart. En het is de reden waarom ik dit nu schrijf, en besloten heb, wat anderen ook zeggen, erover door te zeiken. Tot het einde der dagen.
Wat gebeurde er? Ik ging bij mijn dochter (ze is 18) op bed zitten die, na een nacht stappen met een vriendin, net een beetje wakker aan het worden was.
’Hoe was het?’ vroeg ik.
‘Wel leuk,’ antwoordde ze. Waarop ze ongemakkelijk grinnikte en vervolgens ontsteld zei: ‘Er heeft drie keer iemand aan m’n billen gezeten!’
‘Heb je ze geslagen?’ was mijn primaire reactie.
Dat had ze niet. Drie keer had een jongen aan haar billen gezeten. Een keer had ze zich omgedraaid en de dichtstbijzijnde jongen in zijn nek gepakt en gevraagd: ‘Deed jij dat?’ Waarop hij lachend antwoordde: ‘De eerste keer was het iemand anders, net deed ik het. Vind je dat erg dan?’ Dat vroeg hij echt. Vind je dat erg. Waanzin. ‘Wil je dat nooit meer doen?’ beet mijn dochter hem toe en liep weg.

Flashback

Ik kreeg instant een flashback naar mijn eigen jeugdjaren. Ontelbare keren ben ik in mijn billen geknepen, streek er ‘per ongeluk’ een hand langs mijn rug/nek/dij. Greep iemand me bij mijn borsten om vervolgens lachend weg te lopen. Voelde ik in de drukte iemands kruis niet noodzakelijk stevig tegen mijn billen drukken. Nooit was ik zo dapper als mijn dochter. Ik ben trots dat zij in ieder geval van zich afbijt. Maar wat ik wil, is dat het niet meer gebeurt. Ik wil dat jongens/mannen snappen dat het fout is. Megafout.

I have a dream

Zolang dit soort dingen gebeuren, blijf ik in discussie gaan. Of het nu gaat over denigrerend gelul (ja, bewuste woordkeuze) in de context van vrouwenthillers, of over wat dan ook, ik zwijg niet. Ook niet als andere vrouwen daarvoor kiezen. Want al die voorvallen zijn in de kern met elkaar verbonden. Er ligt een al dan niet bewuste visie op vrouwen aan ten grondslag, die niet getolereerd mag worden, die te vaak leidt tot grensoverschrijdend gedrag, in woord of daad. Ik schreef ergens in een eerdere facebookreactie al: als iedereen zo denkt (‘Het heeft toch geen zin’), waren alle negers nog slaven, en zaten alle homo’s nog in de kast. En dan blijven mannen billen knijpen en vrouwen aanraken zonder hun toestemming. Ik wil dat niet, ik wil dat als mijn dochter mijn leeftijd bereikt heeft, háár dochter op de vraag hoe het was bij het uitgaan, niets meer hoeft te vertellen over jongens die haar ongewenst aanraakten. Ik wil dat ze tegen die tijd tegen de oude verrimpelde versie van mij kan zeggen: ‘Weet je nog mam, vroeger?’ En dat ik dan knik en denk: ‘Vroeger, toen niet alles beter was, ik weet het nog. Gelukkig is dat voorbij’.

Schiller en het ontstaan van een boek

In het jaar dat Hoofdzaak verscheen, was ik voor het eerst in Weimar in Duitsland. Ik ging een paar dagen alleen weg om tot rust te komen. Het was er heerlijk, in die prachtige, romantische stad van Goethe en Schiller. In die dagen ontdekte ik daar iets heel bijzonders waar ik het bestaan niet van kende. Iets waarvan ik op de terugweg in de trein dacht: ik moet hier een boek over schrijven. Ik ben in dat najaar teruggegaan voor meer research, en thuisgekomen met prachtige ideeën en stapels boeken.
Zoals dat in het leven gaat, kwam er vanalles tussen (twee nieuwe boeken bijvoorbeeld), maar deze week was het eindelijk zover: ik heb de stapels erbij gepakt, mijn eerste aantekeningen die ik destijds maakte, en ik ga beginnen!
Met deze blog ga ik jullie een beetje de weg laten volgen van dit boek, van research tot een hopelijk gepubliceerd eindresultaat.
Uiteraard kan ik niet alles verklappen, maar wel dit: het gaat een historisch mysterie worden dat zich in twee periodes afspeelt, met twee hoofdpersonages. De ene periode speelt zich af in 2008, met hoofdpersoon Johnny, een journaliste van begin twintig. De andere periode speelt zich af rond 1800 in Weimar, met als hoofdpersoon de vrouw van Friedrich Schiller: Charlotte.
Kleine waarschuwing: tijdens het schrijfproces verandert mijn idee soms, dus houdt niet al te veel vast aan wat ik je vertel…. 😉
Voor nu ga ik me verdiepen in brieven tussen Schiller en Charlotte. Ik ga de komende tijd zoveel mogelijk in hun huid, in hun stad en in hun tijd kruipen. Ik heb er zin in!

Handreiking naar Tomas Ross (en een voorafje)

Soms word je wakker op een zondag en lees je iets dat alles bevestigt wat je al wist. Deze zondag was dat de column van Tomas Ross, die hij in reactie op columns van Saskia Noort en ondergetekende schreef. Mijn eerste gedachte toen ik het las was: I rest my case. Zo ongeveer elke zin in zijn column versterkt het punt dat ik trachtte te maken. Het onvermijdelijke woord ‘feminist’ viel. Ik zag de barricaden alweer voor me, alleen was ik niet van plan mijn beha’s te gaan verbranden.

Wat nu zo jammer is, is dat Ross het punt volledig mist. Ik spreek nu voor mezelf, niet voor Saskia. Mijn reactie ging inderdaad niet over de kwaliteit van thrillers, wat hij zo jammer vindt. Punt is, dat wanneer er op een manier bejegend wordt die zo tegen de borst stuit, een manier die een grote groep mensen (lees vrouwen) over één kam scheert, ik geen zin meer heb om op de eigenlijke inhoud in te gaan. Als mijn kinderen mij scheldend iets vragen, ga ik in op het gescheld, niet op de rest. Pas als ik normaal aangesproken word, krijgen ze het antwoord waar ze op zitten te wachten. Als je dan in je verweercolumn aankomt met opmerkingen als ‘de brandstapel rookt alweer, gedachtepolitie’ en och, je haalt er ook nog een dode vriend bij, dan laat je jezelf vooral kennen in mijn optiek.

Dit is exact wat al zo lang gebeurt: wat er gebeurde als joden, negers, homo’s en vrouwen voor hun rechten gingen staan (Ja, dit klinkt dramatisch, en nee, ik moet niet bijna ongesteld worden). Dan wordt alle opstand gebaggataliseerd onder het mom: ‘je mag ook helemaal niets meer zeggen’. Nou, laat ik het dan maar benadrukken: nee, dat mag ook niet! Als je daadwerkelijk over inhoud wilt praten, moet de uitgangspositie gelijkwaardig zijn. Dan moet de bejegening gelijkwaardig zijn. Dan moet de erkenning van elkaar als mens gelijkwaardig zijn. Dat mag u flauw en zeikerig of wat dan ook vinden, mijnheer Ross, maar dat is wat mensen normaal gesproken horen te doen. Als u dan niet verder komt dan mijn achternaam als een feministische uiting te interpreteren, dan doet dat vooral bij mij het vermoeden rijzen dat u last heeft van omgekeerde penisnijd. Ik kan dan op geen enkele manier de opgeroepen inhoudelijke vraag nog serieus nemen.

Maar, omdat ik wel degelijk gedachten en zorgen heb over de kwaliteit van thrillers en daaraan verbonden het imago van het genre, reik ik bij deze de hand. Als relatief onbekende vrouwelijke en kennelijk feministische schrijver nodig ik Ross uit om in gesprek te gaan over de kwaliteit van thrillers, van zowel man als vrouw. In gesprek zonder denigrerende toevoegingen, dat dan weer wel. Van mens tot mens, niet van man tot vrouw of van kwebbelkut tot niet meer relevante oude man. In afwachting daarvan ga ik verder met boeken te schrijven van nog te bediscussiëren kwaliteit.

Lees hier de laatste reactie van Ross.

Kwebbelkutjes, serieus?

Kwebbelkutjes. Ik moest twee keer kijken. Het stond er echt.

Tomas Ross, schrijver van faction, ofwel thrillers waarin facts en fictie vermengd worden, schreef een column in reactie op een andere column waarin de feminisering van het genre beschreven wordt. In die column voerde vooral de ‘vrouwen domineren het genre-gedachte’ de boventoon. Het kwam op mij nogal klagerig over, maar goed. In een nog steeds door mannen gedomineerde wereld is het wellicht pijnlijk te ervaren dat er zowaar een plekje in die wereld bestaat waar vrouwen de boventoon voeren. Wat ik overigens betwijfel, maar daar wil ik nu niet op ingaan.

Terug naar de kwebbelkutjes. In eerste instantie wist ik niet zo goed of ik me het moest aantrekken. Ik schaar mijn eigen boeken niet onder wat Ross als de typische vrouwenthriller beschouwt, maar als anderen dat wel doen: ik lig er niet wakker van.

Wat ik me wel onmiddellijk aantrok was de toon. Kwebbelkutjes. Serieus, mijnheer Ross? In deze tijd, een tijd waarin Johan Derksen bijkans de laan uitvloog vanwege een opmerking over homo’s, de tijd waarin vrouwen misschien wel meer dan ooit een poging doen onder een mannenjuk uit te kruipen (#metoo), in die tijd noemt u (een deel van) de vrouwen kwebbelkutjes? Omdat ze in uw ogen pulp, wegwerpboekjes en vliegtuiglectuur schrijven? Ik heb zelden iemand zo denigrerend over notabene zijn collega’s horen praten. Überhaupt over vrouwen. En ik verbaas me er in hoge mate over dat dit zomaar kan, dat er geen ophef over ontstaat. Of is iedereen het gewoon stiekem met hem eens? Vinden we het normaal dat zodra iets door iemand als kwalitatief minder bestempeld wordt, we de makers ervan als kwebbelkutjes mogen afserveren? Ik vind het not done, en dan druk ik me nog voorzichtig uit…

Op één punt moet ik mijnheer Ross gelijk geven: elke idioot kan een column schrijven, schrijft hij. Dat blijkt wel weer.

Lees hier de column van Ross, en hier de column van Kuijt die eraan voorafging.

Ongelooflijk?

Bij de eerste berichten over de Nashvilleverklaring ging mijn theologenhart sneller kloppen. Ik houd wel van dat geneuzel in de marge over Bijbelteksten. Toen ging mijn pro-LHBTI-hart sneller kloppen, want och, al die arme jongens en meisjes die door een deel van de christelijke bevolking in hun geaardheid aangevallen worden. En toen klopte gewoon mijn mensenhart, waarin al die kanten verenigd zijn. O jee, wat nu?
In 2004 ging ik theologie studeren, omdat ik twee vragen had:

1. Bestaat God?
2. Waarom geloven mensen?

Als niet-religieus opgevoed en atheïstisch meisje (nou ja, vrouw) stapte ik een voor mij volledig onbekende wereld in. De wereld van Bijbelexegese, godsdienstwetenschap en nog veel meer. Om mij heen zaten gelovigen: van pinkstergemeente tot twijfelend katholiek. Na vier jaar had ik meer vragen dan de twee waar ik mee begon, maar ik had ook enorm veel geleerd. Over geloof, maar vooral over mensen.

En dan komt er een verklaring naar buiten die gans Nederland in een morele hoek duwt. Een theologische discussie die al eeuwen gevoerd wordt, werd van de een op de andere dag een politiek-maatschappelijke discussie. En zo ongeveer heel Nederland, althans het deel dat op Social Media actief is, struikelt over elkaar om die gruwelijke middeleeuwse christenen virtueel aan de schandpaal te nagelen en tegelijkertijd de juiste morele inborst ten toon te spreiden: kijk mij een goed mens zijn, want ik ben pro-homo, pro-lesbisch, pro-transgender. En in het kader van die ruimhartige goedheid, wordt vervolgens een groep mensen de slachtbank opgeduwd omdat ze volgens de huidige heersende normen conservatief en middeleeuws zijn. En iedereen doet lekker mee.

SGP-frontman Kees van der Staaij werd bij Jinek vakkundig gefileerd met technieken die sommige orthodoxe christenen ook niet vreemd zijn: je pikt één zin uit een tekst (bijbel, of in het geval van Jinek: een Nashvilleverklaring) en trekt die uit de context, om er vervolgens iemand lang en hard mee om de oren te slaan. Alles om het gelijk aan je kant te krijgen. De aanwezige brave D66-mevrouwstaatssecretaris van emancipatie (want die weet zoveel over theologie…) speelde een andere bekende troef: de emotiekaart. Ze haalde een individueel geval naar voren van iemand die zo enorm geleden had onder het juk van de kerk in combinatie met haar lesbische geaardheid. Durf daar maar eens iets negatiefs op te zeggen.

En dan heb ik het nog niet gehad over het God-argument. Ook altijd populair. Ook door beide kanten ingezet: God vindt dat het huwelijk alleen tussen man en vrouw kan plaatsvinden. God keurt homoseksualiteit af. En de andere kant roept dan, en dat vind ik altijd erg grappig omdat ‘zij’ niet in een God geloven, wat ook direct benadrukt wordt, om er vervolgens wél een visie aan op te hangen (ruikt u de ironie ook?): Als God al bestaat zou hij van alle mensen houden, ook van homo’s.

Ik verlang inmiddels terug naar mijn studietijd. Toen zaten we samen, van ongelovig tot orthodox, en gingen we met elkaar in gesprek. En waren we het niet altijd eens. En dronken we een biertje. En ik wil heel graag geloven dat zoiets nog steeds een optie is.

Wederopstanding

Als klein meisje verheugde ik mij op de kerst, want dan gingen we fonduen (de jaren 70 versie van gourmetten… ). Kerst was bij ons een kerstboom met gekleurde lampjes, mooie kleding aan die vreselijk zat, je vervelen, en fonduen dus. En o ja, een flonkerende kerstster voor het raam.
Geloof het of niet, maar als non-religieus opgegroeid meisje, inclusief openbare school en een compleet gebrek aan gelovigen om mij heen, had ik pas veel en veel later door dat kerstmis iets met een geloof te maken had.
Niet dat het veel uitmaakte, want ik geloofde niet in een God. Dus bleef kerst wat het was: een feest met een boom en lekker eten. Er zijn ook jaren geweest dat ik niets deed met kerst. Ik vond het maar overdreven consumentistisch gedoe.

Toen kreeg ik kinderen, en in de beginjaren werd kerst daardoor vooral een stressvolle tijd. Kerstdiners op school, familiebezoek (dubbel: eigen- en schoonouders, want tja, dat vinden zij zo gezellig), en in ere herstellen van een traditie: een mooie boom, kleurige lampjes en lekker eten. Die nette kleding lukte meestal niet, maar de rest wel.
En nu is het 2018. De kinderen zijn 14 en 18, de man is een andere dus de schoonfamilie ook. En kerst is er nog steeds.
En vandaag, de 24e, ik ben even alleen thuis na de horror van het boodschappen doen, en ik kijk naar de kerstboom. Dankzij dochterlief is hij prachtig versierd. Ik denk aan waar kerstmis eigenlijk voor staat. Ik denk aan de geboorte van een kindje (oké, die niet daadwerkelijk in december geboren is, maar we vieren het nu wel). Een kindje dat de hoop voor de mensheid vertegenwoordigt. Noem hem Jezus, noem hem hoe je wilt. Voor mijn part is hij gender- en klimaatneutraal, maar punt is dat er ooit iemand was die de mensheid verbond. Iemand waar je in kunt geloven of niet.

Maar ik zie hem niet. Niet bij mijn boom, niet bij anderen. Niet in onze samenleving. En ik bedoel uiteraard niet letterlijk. Zo ver ben ik nog niet van het padje af. Ik bedoel: geloven we nog wel in kerst? In dat samenzijn en in de hoop van nieuw leven dat ons allen verbindt? Als klein meisje had ik een excuus, ik wist niets, ik kreeg geen uitleg. Nu, als volwassen vrouw met ook nog een theologiestudie achter de kiezen, kan ik me niet meer verbergen achter onwetendheid. En wat mij betreft is toenemende ongelovigheid ook geen excuus. Waarom zou je niet geloven in iemand die ons wil verbinden? We hebben toch ook een koning die ons verbindt? En nu niet iets zeggen over iemand die wel of niet echt bestaat, dat is niet het punt. Het punt is dat ik om me heen kijk en de wereld beetje bij beetje uiteen zie vallen. Punt is dat we soms iets nodig hebben dat ons samenbrengt, iets dat een boom en lekker eten overstijgt. Iets dat ons boven onszelf uit tilt.

De afgelopen twee maanden was er (en het loopt nog steeds) een ononderbroken dienst in het buurt- en kerkhuis Bethel in Den Haag, om uitzetting van een Armeens gezin te voorkomen. Dát is Jezus. Dát is hoop. Dát is kerst, zonder dat het 25 december is. Dat wil ik, dat gevoel, ook al is het alleen maar met kerst. Dat is in ieder geval een start.
Flauw? Naïef? Zeikerig? Misschien. Maar cynisme is er al genoeg (ik heb er ook bergen van).
Ik kijk naar de kerststal die in onze vensterbank staat, en naar het historisch foutieve witte baby’tje erin. Het maakt niet uit. Hij ligt er. Ik pleit bij deze voor een rehabilitatie van Jezus, ook als je niet gelooft. Een soort wederopstanding. Misschien in iets andere vorm en minder letterlijk dan oorspronkelijk bedoelt, maar hé, we moeten ergens beginnen, toch?

Bye bye Eddie

Soms komt rouw op een onverwacht moment opduiken. Op een plek waar je het niet verwacht, bij een concert bijvoorbeeld.
Op een vrijdagavond was ik bij een concert van Danny Vera. Ik kende hem nauwelijks, ik kwam eigenlijk voor het voorprogramma: Mercy John (dat super was!). En wat pakte dat goed uit. Ik heb genoten van Danny Vera, het was een waanzinnige show.
Op een gegeven moment speelde hij een nummer zonder de rest van de band. Alleen Danny en zijn gitaar. Hij vertelde vooraf dat het een nummer was dat hij schreef voor Eddie, zijn beste vriend die overleed toen hij twaalf jaar was. Bye bye Eddie. En hij nodigde ons uit om toch vooral het refrein mee te zingen.
Je kunt het wel raden, ik hield het niet droog. Een prachtig nummer om een dode vriend in herinnering te houden, en om de wereld (in dit geval: Hengelo) te laten weten dat Eddie geleefd heeft. Natuurlijk moest ik aan mijn broertje denken, en misschien waren er velen in het publiek die een eigen dode in gedachten hadden.
Ik was ontroerd door dit eerbetoon.
Het is prachtig om te zien hoe iedereen op zijn eigen manier vormgeeft aan verlies. Hoe iedereen zijn eigen kracht en talent gebruikt om de mensen die ons ontvallen blijvend te herinneren. En hoe daarmee anderen ongetwijfeld ook weer even aan een eigen verlies denken. Samen houden we al die mensen die er niet meer zijn toch een beetje bij ons, samen dragen we de pijn.
Dus bij deze: dank je wel, Danny Vera. Voor een topfeestje, én voor het mij kennis laten maken met Eddie, en op die manier mijn eigen broertje in gedachten ook bij deze avond aanwezig te laten zijn.

Broer en zus

Recent ontving ik vakblad Uitvaart, met daarin een prachtige recensie over Hoofdzaak. Wat me raakte, was dat de recensent (Daan Westerink, rouwdeskundige), de verhaallijn er uitpikte die voor mij erg belangrijk was en is: die van de broer en zus.
Mensen die Hoofdzaak gelezen hebben, hebben misschien gezien dat het boek is opgedragen aan mijn overleden broertje, Donny. In 1991 verongelukte hij op 17-jarige leeftijd. Ik heb geen andere broers of zussen, dus sindsdien moet ik het stellen zonder.
Je hoeft geen psycholoog te zijn om te begrijpen dat de broer-zus verhouding in mijn leven een grote rol speelt.

Read more…